Make your own free website on Tripod.com
 
Reisverslagen in chronologische volgorde
 
 
Reisverslag 1 Reisverslag 7 Reisverslag 13 Reisverslag 19
Reisverslag 2 Reisverslag 8 Reisverslag 14 Reisverslag 20
Reisverslag 3 Reisverslag 9 Reisverslag 15 Reisverslag 21
Reisverslag 4 Reisverslag 10 Reisverslag 16 Reisverslag 22
Reisverslag 5 Reisverslag 11 Reisverslag 17
Reisverslag 6 Reisverslag 12 Reisverslag 18

Voorbereidingen Reis

Sinds 1994 is de reizigerskoorts in ons aangewakkerd. Ronnie vertrok voor een half jaar naar Suriname en Gertrude reisde hem achterna, om samen door Brazilië te trekken. Zonder enige ervaring en met een reisgids zonder relevante informatie togen we met geleende weekendtassen op weg naar Brazilië.  Deze reis was het begin van een steeds terugkerend verlangen om meer van de wereld te zien.

Tijdens vakanties van 3 weken trokken we er met onze rugzak (onze uitrusting werd steeds beter in de loop der jaren) op uit.  We zetten altijd veel te grote routes uit, want we wilden zoveel mogelijk zien in de tijd die we hadden. Het resultaat was altijd dat we weer terug op ons werk, nog bij moesten komen van onze vakanties.  Langzamerhand begon er een onvrede te bestaan over de altijd te korte vakanties en kwamen we op het idee om eens wat langer weg te gaan en in ons eigen tempo door een land te reizen, zodat we ook het dagelijkse leven mee kunnen maken.

Steeds weer kwamen we op dit onderwerp terug en steeds meer bezwaren, die we aanvankelijk hadden, werden weggewimpeld. Zo leek het op een zeker moment geen enkel punt meer om onze banen op te zeggen en ons huis te verkopen.

Dit proces heeft ongeveer twee jaar geduurd. In die tijd zijn we naar het idee van langere tijd reizen toegegroeid en we kregen er steeds meer zin in. En zo zijn we uiteindelijk, na een uitgebreid afscheid van iedereen die ons dierbaar is, in het vliegtuig gestapt naar Mexico-City.

Reisverslag 1: eerste dagen

Op 18 maart 2002 vertrekken we vanaf Schiphol  naar Mexico-City. We hebben van tevoren slechts een ticket geboekt, dus het is afwachten hoe makkelijk we accommodatie vinden in Mexico-City.  In het donker vinden  we met veel moeite, vanwege het chaotische verkeer,  een hotel  We checken in en proppen onze fietsen in de lift. Mexico-City is met haar 25 miljoen inwoners een gigantische stad. We vertrekken naar San Juan de Teotihuacan, een aztekenstad 50 km ten noordoosten van Mexico City.  We hebben in Nederland slechts een kaart van Mexico kunnen vinden met een schaal van 1:2.500.000. We besluiten op ons kompas af te gaan en richting het noordoosten te fietsen. Af en toe vragen we oorbijgangers of we nog op het goede spoor zitten. We moeten zeker 30 kilometer fietsen om enigszins het idee te krijgen dat we de stad achter ons laten. Wat een enorme stad!

We gaan op 21 maart naar de ruïnes van Teotihuacan. Dit is een bijzondere datum voor de Azteken, omdat zij dan nieuwjaarsdag vieren, vanwege de stand van de zon. Er zijn zeker 100.000 bezoekers. De meeste van hen zijn nazaten van de Azteken-indianen. Toeristen zijn er bijna niet. Er worden veel dansen opgevoerd door indianen in traditionele kleding met enorme verentooien. De functie van de dansen is om de geesten gunstig te stemmen. In Teotihuacan staan 2 enorme piramides: de piramide van de zon en de piramide van de maan.  Ze zijn reusachtig groot. De piramide van de zon is met 70 meter iets hoger dan de piramide van de maan. Onvoorstelbaar dat dit zonder hulp van machines, dieren of het wiel gebouwd is.

We pakken de fietstassen weer in en vertrekken richting Tlaxcala. In Mexico zijn de wegen erg druk, dus we proberen een alternatieve route te vinden. We hebben nog steeds geen gedetailleerde kaart en besluiten opnieuw op ons kompas te vertrouwen. We verlaten de hoofdweg en komen uit op een landweg. In eerste instantie is deze goed begaanbaar per fiets. Maar dit wordt snel anders. Er liggen grote losse keien waar bijna geen doorkomen aan is. We zijn dan ook blij dat we weer in een dorpje terechtkomen waar ook nog een
asfaltweg is.  Na een flinke klim komen we in het volgende dorp. Dit blijkt het eind van de weg te zijn. Erg frustrerend. We kunnen weer helemaal terug. Zelfs de keien moeten we weer over. Dat krijg je er nou van als je op je kompas vertrouwt.  Wat zijn we blij als we in de verte het volgende dorp zien liggen. Maar we zijn ook erg verbaasd als zomaar het pad ophoudt terwijl toch dat dorp zo dichtbij ligt. Er ligt wel een spoorlijn. We gaan daar
maar langs en zijn nog net een kudde schapen voor. In het dorp begint de weg weer en  kunnen we verder naar de eerstvolgende stad om een slaapplaats te zoeken. Wat een dag!

Een dag later bereiken we Tlaxcala. Politieagenten hebben het maar druk met het regelen van het verkeer door driftig op hun fluit te blazen. Dit terwijl ze hetzelfde aangeven als de verkeerslichten. Erg vermakelijk, dat ze daar zo interessant staan te doen.
Tlaxcala is een klein sfeervol koloniaal stadje. Het volgende doel is Puebla. Onderweg nemen we een afslag naar Cacaxtla. Daar zijn muurschilderingen gevonden met Maya-invloeden. Dit schijnt nogal vreemd te zijn omdat de Maya´s niet in dit gebied leefden, dus archeologen hebben hier nog zeker iets om over na te denken. Het blijkt dat we ons nogal in de afstand vergist hebben. We moeten er flink tegen pezen om voor het donker in Puebla te komen. We vinden een prettig en goedkoop hotel. Puebla staat helemaal vol met koloniale gebouwen en kerken. Het is een  sfeervolle stad. Vanuit Puebla fietsen we op en neer naar Cholula 15 kilometer verderop. Hier staat de grootste piramide ooit gebouwd en zelfs de piramide van Cheops in Egypte overtreft. De piramide is nauwelijks herkenbaar. Er is een kerk gebouwd op de top door de Spanjaarden en de rest van de piramide is totaal overgroeid met gras en bomen.

Vanuit Puebla gaan we met de bus naar Oaxaca (spreek uit: wahakka), door het Siërra Madre del Sulgebergte, om 300 km door cactusbergen en chaotisch verkeer te overbruggen. Zelfs de reisgidsen raden af om dit traject per fiets af te leggen. Oaxaca is net als Puebla een koloniale stad, die ook erg sfeervol en gemoedelijk is. Het is een ware belevenis om  door  de overdekte markten te struinen. Vooral de markt waar voedsel wordt aangeboden is erg bijzonder. De groente- en fruitstallen staan tussen de vleesstallen. Bij de vleesstallen worden
de dieren terplekke geslacht en schoongemaakt. Het grote vee is al dood, maar de kippen hangen levend op de kop aan hun poten aan een touw, in afwachting van het slagersmes. Er zijn ook kramen waar je je prak kunt scoren. Met andere gasten zit je op een houten bankje voor het kraampje, waar het eten ter plekke bereid wordt.
Je hoeft alleen maar aan te wijzen wat je hebben wilt. Er is geen taakverdeling onder het personeel. Dat wil zeggen dat dezelfde persoon je bestelling opneemt, met zijn blote handen in de diverse eetwaren zit te graaien, vervolgens in de pan gooit, het op een bordje mikt en je bedient. Het afrekenen gebeurt met dezelfde ongewassen handen. Een keuringsdienst van waren zullen ze hier waarschijnlijk niet kennen. Een delicatesse in Oaxaca is gefrituurde sprinkhanen. Deze worden bereid met zout en knoflook. We besluiten niet kinderachtig te
zijn en het te proberen.  Ze zijn waarachtig nog lekker ook! Lekker knapperig. Ondanks de niet al te beste hygiëne, eten we er met smaak.

Vanuit Oaxaca fietsen we naar Monte Alban, een klim van het type buitencategorie. Monte Alban  is een oude stad van de Zapoteken, een indianenstam die deze stad 500 v. Chr. gesticht heeft. Toen de stad al was verlaten werd het nog een tijdje in gebruik genomen door de Mixteken. Zij gebruikten de ruïnes als graftombes. We gaan ook op en neer naar Yagul, zo´n 35 kilometer buiten de stad. Dit is ook een opgraving van zowel Zapoteken als
Mixteken. Onderweg naar Yagul komen we langs de grootste boom ter wereld. De doorsnee van de stam is 14 meter. De omtrek  is meer dan 50 meter. Reusachtig dus! De boom is meer dan 2000 jaar oud.

Vanuit Oaxaca gaan we met de bus naar Tuxtla Guiterrez. Dit was zo’n 500 km. Het traject is vergelijkbaar met het stuk van Puebla naar Oaxaca. Dus veiligheidshalve nemen we ook op dit stuk de bus. Bovendien schiet het lekker op zo. Het is 12 uur rijden in een oude greyhound van zo´n  30 jaar oud, met erg veel herrie en zwarte rookpluimen. Vanaf Tuxtla Guiterrez gaan we weer verder per fiets naar Chiapa de Corso. Het beginpunt van een
boottocht door de Cañon del Sumidero. Een grote kloof van ongeveer 1000 meter hoog. Het ligt aan een stuwmeer. Er leven krokodillen, waar we er zowaar 2 van zien. De volgende stad is San Cristobal de las Casas, een koloniale stad tussen indianendorpen. Het is een zwaar traject, vanwege het hoogteverschil van 1700 meter op een afstand van 75 kilometer. We gaan niet over de hoofdweg, maar over een secundaire gravelweg. Door het loodzware traject halen we het niet in 1 dag, waar we op gehoopt hadden. We vinden een vlak plekje waar we ons tentje op kunnen zetten. Indianen die terugkeren van het land blijven even staan om te kijken wat ons bezielt. Ze vinden het erg vermakelijk. Er is een rivier dichtbij waar we helder water uit halen om te drinken, eten te koken en ons te wassen. De volgende dag passeren we een piepklein indianendorp waar we proberen wat drinken te kopen.  Hoogstwaarschijnlijk zien ze nooit fietsende blanken, want de vrouwen en kinderen  vluchten
hun hutten in. We komen we pas laat aan in San Cristobal de las Casas.

Vanuit San Cristobal de las Casas trekken we verder naar de Lagos de Montebello, een natuurgebied met 58 meren. We gaan nu naar lager gebied dus flink racen. We halen snelheden van boven de 60 kilometer per uur. Best hard met al die bochten. We rijden over een rustige weg die langs kleine dorpen gaat. Het schoolplein loopt uit naar de weg om ons te bekijken. Er wordt veel naar ons gezwaaid.
Als we aankomen bij de Lagos de Montebello zetten we onze tent op tegen het bos aan de rand van het meer van Tziscao. Een pittoresk dorp. De meren zijn helderblauw en enorm diep. We krijgen aardig belangstelling van de dorpsbewoners. Zo ook van Eduardo, die ons vraagt of we tegen een kleine vergoeding (2,5 euro pp) bij hem thuis willen eten (ook daar beunen ze zo nu en dan wat bij). Het huis waar hij woont is een hut opgetrokken uit
planken. De kieren zijn afgedicht met bladzijden uit tijdschriften. De vloer is van beton. In de huiskamer staat ook het ouderlijk bed. Achter een gordijntje slapen de kinderen en dat is het. Er staat nog zo´n hut waar gekookt wordt. Maar.....ze hebben wel televisie. Verder scharrelen de varkens, kippen en kalkoenen vrij rond. We krijgen een prima maaltijd met een gesmokkeld blikje bier uit Guatemala voorgeschoteld door zijn vrouw.

Onze tocht gaat verder richting Bonampak en Yaxchilan, twee mayasites, vlakbij de grens van Guatemala, zo´n 200 kilometer verderop. We passeren nog een aantal kleine dorpen en besluiten bij het laatste dorp (Flor de Café), op onze kaart te overnachten. We weten namelijk niet hoe uitgestorven het gebied is wat achter dat dorp ligt. We mogen achter een eethuisje kamperen. In de rivier kunnen we ons opfrissen. De volgende morgen zitten
we om 7:00 uur weer op de fiets. We moeten  opschieten, want we hebben in Mexico-City 30 dagen verblijfsvergunning gekregen bij de paspoortcontrole, en die zijn bijna op. Als we van Flor de Café verlaten moeten we flink klimmen. Na ruim anderhalf uur fietsen krijgen we uitzicht over een dorp. Jawel, we herkennen het als Flor de Café. Dit is erg frustrerend. In Bonampak overnachten we op een jungle-camping bij een indianenfamilie. Het ligt aan een mooie rivier met kristalhelder water. De indianen zijn  Lacandones (Bonampak ligt in de
lacandonjungle), nog geheel in eigen stijl levend. Opperhoofd opa is een aandoenlijk mannetje. Hij komt ´s avonds in het eethuisje koffie drinken. Het is een kromgegroeid mannetje met lange grijze manen,  die met zijn wandelstok komt aanstrompelen. Hij geeft iedereen een hand en komt bij ons aan tafel zitten. Hij is bijna blind en doof,  maar heeft erg veel lol om een gast die dronken is en in de stoel zit te snurken. Bonampak is bekend om
de maya-muurschilderingen, waarin bloederige mayataferelen afgebeeld zijn. Yaxchilan ligt 40 kilometer verderop en is alleen per boot bereikbaar. Over de Usumacintarivier varen we naar  de ruines. Deze mayaplaats is alleen al bijzonder vanwege de ligging. Midden in de jungle struin je daar helemaal alleen langs oude ruïnes. De brulapen produceren enorm veel herrie. Het geluid van brulapen is 10 kilometer verder nog goed te horen, maar
we staan er nu wel heel dichtbij. Wat een decibels! We zien er 6 als we op de hoogste tempel staan die uizicht biedt over de jungle.

Vanuit Frontera Corozal verlaten we precies binnen 30 dagen Mexico en komen we Guatemala binnen per boot. Het is gedaan met het asfalt. Vanaf nu wordt het stofhappen over gravelwegen. Door de warmte zweten we enorm. Het zweet tezamen met het stof loopt in modderstroompjes van ons lichaam. We leggen 80 kilometer af over dit gravel als we zowaar op een asfaltweg terechtkomen. Nog 20 kilometer erbij en we bereiken een stadje
(La  Libertad) waar we overnachten, in een ranzig pension voor 5 euro. We bereiken Flores de volgende ochtend Vanuit hier maken we onze plannen voor een junglevoettocht van 5 dagen naar de slecht bereikbare El Mirador, een nog niet blootgelegde mayastad diep in de jungle van El  Peten.
back

Reisverslag 2: El Mirador

Vanuit de stad   Flores, dat op een eilandje ligt in het Peten-meer in het noorden van Guatemala, treffen we de voorbereidingen voor de reis naar El Mirador. Deze Mayastad ligt diep in de jungle van El Peten van Noord Guatemala (grootste aaneengesloten jungle van Centraal Amerika)  6 km vanaf de Mexicaanse grens. El Mirador wordt nauwelijks bezocht door reizigers vanwege de lange en moeilijke reis ernaar toe. Dit maakt de uitdaging
des te groter. Ons plan is de reis per mountainbike te starten en ongeveer 100 km af te leggen tot en met het laatste dorp Carmelita. Hier zullen we een gids moeten vinden met wie we gezamenlijk de laatste 60 km te voet zullen afleggen.

El Mirador is de grootste Mayastad in Guatemala die tot nog toe ontdekt is. Echter vanwege de moeilijke bereikbaarheid hebben er nog weinig opgravingen plaatsgevonden. De stad werd bewoond tussen 150 v. Chr en 150 na Chr. Onduidelijk is waarom de stad verlaten werd door de tienduizenden inwoners die El Mirador bewoond hebben.

De reis per mountainbike is verloopt moeizaam. We hebben enkele tegenslagen die ervoor zorgen dat we veel tijd verliezen. Door de bar slechte weg trilt er een schroef los uit een van de bagagedragers, raken de waterzak (met onze kostbare watervoorraad) en   een binnenband lek. De 100 km bestaat uit gravel en een enorme laag stof zo fijn als ongebluste kalk. Verder is er geen stuk horizontaal zodat we constant te maken hebben met
venijnige klimmetjes en riskante afdalingen. Af en toe passeren we een klein dorpje waar we zo nu en dan even stoppen om de suikerspiegel aan te vullen door middel van een colaatje. De enkele vrachtauto´s en pick ups die we tegenkomen laten een enorme stofwolk achter zodat we letterlijk nog harder in het stof bijten. Verder erg vriendelijke mensen langs het traject die soms ook verbaasd kijken wat ons hier naar toe brengt. In het dorp Cruce dos Aguadas wordt ons nog eens verteld dat de bus die hier eenmaal daags langs komt, over een uur arriveert.
We bikkelen nog even door en na anderhalf uur horen we de bus inderdaad komen aandenderen. We besluiten deze kans aan te grijpen omdat 't toch al tegen een uur of drie is en we nog zo´n 35 kilometer af te leggen hebben.

De bus stopt en binnen no time liggen onze fietsen op het dak van wat hier ook wel de ´kippenbus´ genoemd wordt. Alles en iedereen kan mee, als t niet in de bus is dan wel op t dak.  We zitten onder het stof. Ook binnen in de bus is t een en al stof, De buschauffeur en z´n helper hebben zelfs een stofkap voor hun gezicht. We kunnen in ieder geval weer verder. Met hoge snelheid dendert de bus door gaten en over keien een enorme stofwolk
achterlatend. Soms horen we de fietsen klapperen op t dak en vragen we ons af of dit nu de verstandigste keus was. Na vijf minuten bussen, stoppen we: wegwerkzaamheden. Er wordt een brede rioolpijp door de zandweg gelegd. Het duurt een half uur voordat t gat gedicht is en we kunnen weer verder. Uit een tas van een vrouw steken twee kippenpoten, die de bijnaam van de bus eer aan doen.

In Carmelita aangekomen worden de overgebleven passagiers elk voor hun bestemming afgezet. Een gezette vrouw gooit met een lompe zwaai haar plunjezak uit de deuropening. Helaas voor de hond die daar net stond en jankend wegstuift.
Het buspersoneel overnacht hier in Cermelita en zal de volgende dag de verschrikkelijke tocht terug maken richting Flores. We worden afgezet bij een comidor, waar we wat kunnen eten. Onze gastvrouw Brenda zet ons tortilla´s voor met koude bruine bonen en een stuk vlees uit t wild (Agouti, een soort bosvarken). We kunnen overnachten in een hut achter het huis. Het is er erg primitief: het toilet bestaat uit een twee meter diep gat waarboven een provisorisch toilet van beton is gemetseld. De douche bestaat uit 4 schotten en een grote
regenton waaruit je water kunt scheppen. Deze kans grijpen we aan, want we zijn werkelijk beestachtig smerig geworden tijdens de reis hiernaartoe. Brenda regelt ook een gids en zijn helper voor ons.

De volgende dag schettert om half 6 al een radio. De zon is net op en terwijl we ons voorbereiden komt opa des huizes met een schildpad van zo´n 40 cm aan een touwtje binnenlopen. Het blijkt niet het huisdier maar het avondeten te zijn voor de komende dag. Om 7.00 uur staan we klaar voor vertrek samen met onze gids Manuel met zijn assistent Elmer en drie ezels om voor 5 dagen de jungle in te trekken en zo´n 130 km af te leggen. Wij hadden ons voorgesteld met een gids en een  ezel wel uit de voeten te kunnen, maar dat blijkt inderdaad onmogelijk. Al het nodige water moet meegenomen worden en zo ook het voedsel en slaapuitrusting e.d.

Na vijf uren lopen over smalle bospaden met enkele korte pauzes arriveren we in het kamp van chicleros, Nacimiento, gelegen aan de enige rivier die we tijdens onze tocht zullen zien. Chicleros zijn erg arm en houden zich bezig met het tappen van chicle uit sapotillebomen, vergelijkbaar met rubbertappers uit het Amazonegebied. Chicle is de grondstof voor kauwgum. Omdat het momenteel de droge tijd is geven de bomen weinig chicle af
zodat de dagtaak op dit moment bestaat uit het verzamelen van xatebladeren. Deze bladeren van de xatepalm worden  geëxporteerd naar de Verenigde staten en Japan voor onder andere medicinale doeleinden. José is een van de twee chicleros, we wisselen informatie uit over wat alles kost in Guatemala en in Nederland. Zijn maat,
Hernando, is 67 en zit wat te vissen.  Het kamp bestaat uit enkele palmdakjes met daaronder enkele hangmatten en klamboes. We halen het water uit de rivier en koken hier onze prak van en zetten een bak koffie. We koken ook voor de gidsen zoals afgesproken. Ondertussen worden onze hangmatten opgehangen tussen enkele bomen.
We zitten nog wat aan de kant van de rivier en proberen ook wat vis te vangen. Ondertussen zien we veel kolibries en papegaaien overvliegen en horen het krakende geluid dat toekans produceren. We zien verder gedurende een moment een zeldzame harpijarend hoog boven ons cirkelen.  's avonds proberen we een krokodil te spotten door met een zaklamp over het water te schijnen. Helaas zien we geen oplichtende krokodillenogen,
wel een kleine vogelspin met een vuurrood achterlijf die snel een gat in een boom binnenglipt.

Tegen een uur of half negen kruipen we voor het eerst in onze Hennesyhangmatten die speciaal voor dit type omstandigheden zijn ontworpen. Zo zit er onder andere een ingebouwde klamboe in en moet je er vanaf de onderkant instappen. Doordat je je gewicht in de hangmat legt, sluit deze zich vanzelf. Vanuit de hangmat hoor je geluiden van cicaden, krekels, nachtvogels en niet te vergeten de brulapen die een monsterlijk geluid produceren
dat over een afstand van tien kilometer te horen is. Ook worden er af en toe jaguars gesignaleerd in het kamp, dit is niet aan ons voorbehouden. Het blijkt 's nachts veel kouder dan verwacht. We hebben geen slaapzak meegenomen zodat we flink verkleumen.

We vertrekken de volgende morgen rond de klok van 7 voor het tweede deel van de tocht naar El Mirador. We lopen zo´n zeven en half uur met enkele tussenpauzes en een lunch. Het is een zwaar traject met veel lianen en boomstammen over het pad. Verder af en toe een splitsing, zonder gids zou je hier absoluut verdwalen. We zien tijdens de tocht enkele toucans, spinapen,  twee slangen, waarvan een zo´n tweeënhalve meter en veel gekleurde
vogels. Verder worden we bestookt door hele legers teken, die soms met honderden tegelijk op een takje zitten te wachten op een passant. Steeds kom je weer nieuwe tegen in je huid en lopen ze met tientallen tegelijk over je broekspijpen. Tijdens de tocht zie je geregeld mayahuizen onder de boomwortels verscholen. De meesten zijn voorzien van een gang van plusminus twee meter diep. Er moeten ongetwijfeld nog heel veel schatten verborgen
liggen hier in het woud.

Eindelijk, half uitgeput, hebben we deze dag 35 kilometer afgelegd en zijn we aangekomen in het kamp El Mirador. Nando en Patrocimio zijn twee opzichters die de ruines van de mayastad moeten bewaken tegen roof etc. Hoe dit mogelijk is, is voor ons een raadsel, want de monumenten liggen soms vele kilometers uit elkaar. Ze zijn blij weer eens een mens te zien. Een opzichter verblijft 30 dagen achtereen in het kamp onder zeer primitieve
omstandigheden, daarna 15 dagen verlof, waarin hij afgelost wordt. Het toilet bestaat ook hier uit een uit boomstammen opgetrokken hokje met een gat van zo´n twee meter daaronder. Een schorpioen schrikt van het licht van de zaklamp en kruipt weg tussen de balken van het toilet. Tijdens het koken van het avondeten wordt onze blik nog even gevestigd op een groepje spinapen die onze aandacht willen door ons met een soort
kastanjes te bekogelen.

Dag drie staan we om 5 uur op om de piramide El Tigre te beklimmen. Dit is een van de hoogste Mayatempels in Guatemala. Hij heeft 18 verdiepingen en is zo’n 70 meter hoog. De voet van het complex beslaat 18.000 vierkante meter. Het uitzicht vanaf de Tigre is fantastisch. Je kijkt uit over het woud en ziet de zonsopkomst boven het bladerdak van het woud. In de toppen van de bomen onder ons zien we brulapen slingeren en toekans
rondvliegen. De tweede piramide is La Dante (de miereneter) op een half uur loopafstand en is gebouwd op een heuvel zodat deze een hoogte bereikt van 105 meter boven de junglevloer. Vanaf deze plaats zie je ook de piramide van Nacbe, een andere mayastad. 's Middags beklimmen we nog de Templo de Monos (tempel van de apen) en aansluitend rusten we wat uit van het afzien. Nando laat ons een tekening van de stad zien zoals deze
er naar alle waarschijnlijkheid uit heeft gezien. Op een satellietfoto is te zien dat er vroeger  wegen hebben gelegen tussen de mayasteden Mirador, El Tintal en Nakbe. Omdat de honderden gebouwen bijna alle nog onder het woud verscholen liggen moet je ook je voorstellingsvermogen gebruiken om een  beeld van deze stad te krijgen. Nando vraagt ons of we boven op de piramide willen overnachten in onze hangmatten. Leuk voorstel,
maar vanwege de wind en de kou zien we toch maar van af.

Dag vier en vijf worden weer besteed aan kilometers lopen en af en toe struikelen. We nemen afscheid van de opzichters en vertrekken om de komende nacht door te brengen bij El tintal, een kleinere mayastad. Op dag vijf gebruiken we de lunch,  tortilla's met sardientjes, bij een chiclero die samen met z´n hond in een kamp verblijft.
Eindelijk komen we dan aan in Carmelita. Afgemat en bezweet genieten we samen met Emanuel en Elmer  van een aantal flessen koud bier. We maken nog even flink lol. Gertrude´s gelzadel en handvatten blijken geliefd te zijn geweest bij de papegaai van Brenda: deze heeft er hele stukken uit zitten kauwen, gelukkig blijft de schade
beperkt tot een paar flinke happen.

Om de expeditie compleet te maken fietsen we terug en flink stof happend komen we weer aan in El Cruze dos Aguadas. Hier nemen we afslag El Zotz (in mayataal: vleermuis) via een extreem slechte weg met gaten van soms een halve meter diep. We blijken de eerste fietsers die bij deze mayastad. Ook hier woont een opzichter enkele weken in afzondering.  We mogen in zijn hut koken en zijn regenwater gebruiken. In een andere hut mogen we de
hangmatten ophangen. s avonds liet hij ons een prachtig uitzichtpunt zien en tijdens de zonsondergang de grot waaruit tienduizenden vleermuizen in wolken de nacht tegemoet vliegen. Heel fascinerend om er tussen te staan. De volgende morgen laat Francisco ons de ruines zien, waaronder enkele piramides en tunnels. Verder leert hij ons veel soorten planten en bomen herkennen die eetbaar zijn, dan wel eetbare vruchten geven. Zo ook de
palmpit geproefd. Tegen een uur of 10 hebben we afscheid genomen en gaan weer naar Flores waar we gaan uitrusten van deze onvergetelijke expeditie.
back

Reisverslag 3: Nebaj

Hier weer een teken van leven van ons. Op dit moment zitten we in Nebaj, een klein plaatsje in de hooglanden van Guatemala. De laatste keer dat we een verslag stuurden zaten we in Livingston. Daar zijn we twee dagen geweest. Livingston is een Garifuna-dorp afgezonderd van de buitenwereld en slechts bereikbaar per boot. Garifuna´s zijn negers die ooit via het eiland San Vincent(waar ze terecht zijn gekomen na een schipbreuk van een slaventransport)zijn verspreid over de kust van Guatemala en Honduras en Belize. Op 15 mei was er een feestdag ter gelegenheid van San Isidro Labrador, een of andere heilige die met landbouw te maken heeft (kortom, de achtergrond van dit feest is ons niet helemaal duidelijk geworden). De dag bestond uit processies, waarbij groenten en fruit meegedragen werden. Bij de eerste processie, om acht uur ´s morgens, zag je negeroma´s flink aan de zuip. Met de bierfles aan de mond dansten ze door de straten.
De volgende dag hebben we de siete altares bezocht. Dit was een wandeling van ongeveer twee uur langs het strand. Siete Altares zijn 7 watervallen in een stuk tropisch regenwoud. Erg mooi en erg verfrissend om in te zwemmen.

Vanuit Livingston gaan we met de boot via de Rio Dulce naar het dorp Rio Dulce. De rivier is een onderdeel van een groot natuurgebied. We varen langs een warm waterbron (Agua Caliente), die uitkomt in de rivier. Verder zien we veel aalscholvers, reigers en pelikanen.

We stappen weer op de fiets in Rio Dulce en gaan richting Coban. We komen onderweg langs een ´warmwaterwaterval´, Finca el Paraiso. Het water is een graad of veertig en stroomt van een hoogte van een meter of 12 in een koude rivier. Als je hier op de hete rotsen zit, heb je het idee dat je een sauna bezoekt, een unieke belevenis. Verder kun je er perfect zwemmen.

Onze tocht eindigt in El Estor waar we de volgende dag een visser charteren om met zijn motorboot het Bocas de Polochic-gebied te bezoeken, een prachtig moerasgebied. We varen hier zo´n 3 uren rond en zien veel apen, schildpadden en vogels.

De tocht vanuit El Estor wordt gigantisch zwaar. Het heeft enorm geplensd s´nachts waardoor de weg een grote modderpoel is geworden. De banden zuigen vast in de gravelmodder. Na 60 km bereiken we El Tinta, hier blijkt tot onze opluchting een hotel te zijn. Het was nog zo´n 30 km verder naar Tucuru, waarvan we steeds dachten dat we er zo´n beetje zouden zijn.

Om zeven uur zitten we weer op de fiets de volgende morgen. Tucuru bereiken we tegen de middag. De weg hiernaartoe is fantastisch mooi, prachtige uitzichten. De weg zelf is overigens zwaar kloten, maar hier beginnen we zo langzamerhand aan te wennen. Het klimmen bevalt minder goed, zodat we in Tucuru een lift aannemen van een vrachtwagenchauffeur. Alles en iedereen lift hier, bussen zijn schaars. Soms zie je pick ups langsrijden met 20 man in de laadbak, net een veetransport. In ieder geval slaan we een stuk zware klim over, sommige stukken zijn zeker meer dan 15%. Af en toe als je dit soort stukken moet overbruggen, glijdt je achterwiel weg, zodat je weer stil staat. Een ander probleem is de afdaling. Door de keien en gaten in de weg rammelt alles los (schroeven) en hebben we om de haverklap lekke banden.

Via Tactic komen we aan in Coban. Ronnie haalt de tassen uit de vrachtwagen en legt deze op grond. Gertrude ziet een dikke meegelifte harige bruine spin op Ronnie´s tas zitten. Als Ronnie een zet geeft met zijn vinger, rent de spin weg en begint plotseling te springen (Hij springt zeker 2o cm in een keer). Op deze wijze bereikt hij de rubberlaars en daarna de broekspijp van een man. We liggen helemaal in een deuk.

In Coban is het koud en regent het veel (hier laatste mail verzonden). Vanuit Coban pakken we de bus richting Lanquin, een prachtig dorp hoog in de bergen. De 60 km duren maar liefst 4 uren, en dat in een volgestouwde bus. In Lanquin pakken we de volgende dag de fiets en gaan naar de moeilijk bereikbaar watervallen van Semuc Champey. De 10 km kost ons 2 uur vanwege een gescheurde binnenband van Ronnie en niet werkende remmen van Gertrude, die ter plaatse weer gerepareerd moesten worden. Sommige klimmen zijn zeker 20 % en zorgen ervoor dat je voorwiel omhoog komt of dat je achterwiel wegspint. Uiteindelijk bereiken we de plaats van bestemming. Het is bijzonder mooi hier. Een ruig kolkende rivier verdwijnt in een grot om 200 meter verder weer tevoorschijn te komen. In de rotsplateaus daarboven ligt een aantal prachtige kobaltblauwe en turquoise meertjes waar je goed in kunt zwemmen. Op de terugweg scheurt Ronnies reservebinnenband ook, dus t laatste stuk lopen. Door de steile afdalingen komt er teveel wrijving op de buitenband en de velg wordt kokendheet. Doordat de buitenband begint te verschuiven, trekt deze de binnenband kapot bij het ventiel. In het dorp is gelukkig een fietsenmaker die een nieuwe binnenband regelt. Het ventiel is te groot zodat de velg ook nog uitgeboord moet worden, dit gaat allemaal goed.

In Coban kopen we nieuwe achterbanden en binnenbanden. Ronnie´s andere velg wordt ook nog even uitgeboord. Voor vier banden en wat plakgerei betalen we 90 quetzal, zo´n 12 euro. (Heb je in NL alleen een buitenband voor). Kwaliteit: made in China.

Onze tocht gaat verder naar Nebaj. De route is zo´n 130 km langs over een van de mooiste wegen van Guatemale qua uitzicht (Cuchumatanes-gebergte). Qua wegconditie zal het een van de slechtste zijn van dit land. Daarom komen hier nauwelijks reizigers.

Nebaj is een bijzonder dorp. Vrouwen dragen hier een eigen stijl klederdracht met veel kleuren. Verder hebben ze bijzondere mutsen. We bezoeken de zondagmarkt, echt een belevenis. We zitten een tijdje op een bankje tegen een muur bij een bakbanaanstalletje. Twee meisjes laten ons gekookte zoete aardappel proeven. Ook bakbananen met suiker zijn lekker. Verder proberen we nog wat lokale drab in de vorm van rijstwater met kaneel. We ouwehoeren nog wat met de meisjes en gaan daarna weer verder.
We zijn ook in Nebaj om te wandelen in de omgeving. We plannen dit voor de volgende morgen, maar het regent dat het giet en het is erg mistig. Geen uitzicht over de bergen dus.
Tot onze verrassing staat zelfs in deze uithoek in de bergen een internetcafé, dus hierbij het laatste nieuws.

De planning voor de komende tijd:
Chichicastenango. Hier willen we naar de indianenmarkt op donderdag. Dan verder naar het meer van Atitlan.

Liefs Ronnie en Gertrude
back

Reisverslag 4

Honduras.

Een week van fietsen over relatief goede wegen door een mooi heuvelachtig landschap brengt ons naar de grens van Guatemala en Honduras. In Honduras zullen we ons richten op de Copan Ruines, de Bay Islands en het natuurrijke binnenland.

Na een steile klim en daarna lange, snelle afdaling komen we aan in Copan. Copan is beroemd om de mayastad waarin veel steles, mayabeelden met hieroglyfen, zijn te zien. Het dorp bij de ruines heet heel toepasselijk ‘Copan Ruinas’. Het is een gezellig dorpje en waarschijnlijk het meest toeristisch van Honduras. ‘s Morgens om vijf uur kijken we in een eethuisje de finale Brazilie – Duitsland. Er zitten toevallig ook een paar Duitsers en nog toevalliger een Braziliaans stel. De Duitsers waren behoorlijk stil terwijl het stel helemaal door het lint ging.

Een heuvelachtige weg nemen we richting de kust. Orkaan Mitch heeft een verwoestende uitwerking gehad op het wegennet. Een grote restauratie van de wegen heeft de kwaliteit beter dan ooit gemaakt. Hierdoor kunnen we dagelijks meer dan 100 km afleggen. Er is weinig verkeer en je ziet hier veel tropische vogels vanaf het stalen ros.  Waar mensen in Guatemala met hakmessen langs de weg lopen, zijn deze in Honduras ingeruild voor pistolen en jachtgeweren. Zelfs de groenteboer langs de weg is gewapend met een flinke gun. Op de deuren van banken zie je vaak verbodsborden voor geweren. Men wordt standaard gefouilleerd alvorens binnengelaten te worden.

We reizen via San Pedro Sula naar Tela, waar we enkele dagen blijven plakken. Tela heeft mooie palmenstranden aan de caribische zee. Rondom het drop liggen een aantal garifunadorpen. Via een van deze dorpen gaan we naar Punta Izopo, een moerasgebied met mangroven.  We huren bij het huis waar de weg ophoudt vanwege de platanorivier een uitgeholde boomstam en varen enkele uren door de mangrovenbossen. Het meegeleverde bakje komt goed van pas omdat we regelmatig water moeten hosen.

Via La Ceiba nemen we de veerboot naar het eiland Utila, 30 km uit de kust. Langs dit eiland liggen kilometers koraalriffen. Dit eiland was ooit de basis voor zeerovers (o.a. de beruchte Henry  Morgan uit Wales), dit is terug te zien aan de nakomlingen die er nu  wonen. De inwoners zijn blank of creools. Men spreekt er voornamelijk Engels met een bijzonder, nauwelijks te verstaan, accent. Buiten de kust van het eiland liggen enkele kleine eilandjes waarvan er een stampvolgebouwd is met houten vissershuisjes. Een langgerekt eiland met palmenstranden, Watercaye, is onbewoond. We laten ons met en ander Nederlands stel en een Amerikaanse door een visserbootje hier afzetten. Onderweg meren we aan bij het visserseilandje om daar twee grote red snappers te kopen. Op Watercaye blijken de enige  wezens te zijn. We verzamelen hout voor een groot kampvuur en op de overgebleven kolen grillen we de vissen. Onder het genot van rum maken we er een gezellige avond van We slapen in de hangmaten die we tussen de palmbomen hebben gespannen.

Het duiken langs de riffen is ook een spectakel op zich. Tussen de koralen zie je ongelooflijk veel soorten vissen. Groene murenen van 1,5 meter lang liggen je met een open bek aan te gapen. Het zicht is meer dan 30 meter, daardoor zie je roggen van twee meter breed en een staart van drie meter als een vliegend tapijt langszwemmen. Een verpleegsterhaai ligt te slapen onder een overhangende rots, je kunt er vlak bijkomen zonder dat hij een vin verroert of..hapt. Verder is een duik naar een gezonken schip op 30 meter diepte een avontuur op zich. Rare ervaring om door de stuurhut te zwemmen terwijl deze bewoond wordt door immense baarsen. Vanuit de boot zien we nog dolfijnen en vliegende vissen. Helaas hebben we een ruim 10 meter lange walvishaai gemist die een week voor ons dit mooie eiland aandeed.

Vanuit La Ceiba bestijgen we ons stalen ros om zuidwaarts door de provincie Olancho te trekken. Een goede en brede zandweg gaat langs het prachtige gebied van  Pico Ponito, een van de hoogste toppen in het land. De route is super, mooie uitzichten en constant een ruige rivier aan onze zij. Als we bij een winkeltje (zo een waarvan de winkel ook gelijk de woonkamer is) wat drinken zegt de vrouw over de richting waar we heen willen: ‘Mucha genta mala (slecht volk)’ en ze maakt een gebaar van een overhalende trekker van een geweer. Verder zegt ze dat we moeten lopen. ‘Dat zal wel’, denken we, het zal wel stijl zijn. We worden namelijk wel vaker ontmoedigd.  Na zo´n veertig kilometer fietsen hebben we een nieuwe ervaring: einde weg! En alle kaarten die we gezien hebben laten een doorgaande weg zien.  Tja, en daar sta je dan. Wat te doen? Tussen het gebladerte loopt wel een pad verder, maar niet geschikt om te fietsen. Nu wordt ons duidelijk wat de vrouw met ‘lopen’ bedoelde.We denken na over alternatieven. Terug gaan valt af, daar zijn we het snel over eens, dus blijft over: doorgaan, lopen dus. Na een half uur ploeteren komen we langs een huisje. We vragen of dit pad inderdaad doorloopt naar Olanchito, onze bestemming. Ze antwoorden bevestigend, nadat ze ons verbaasd hebben staan aankijken. Het pad is zwaar met de fiets en bagage. We moeten regelmatig riviertjes oversteken of de fiets over rotsen tillen. Soms is het pad bedekt  met planten, een keer schiet er een slang weg voor een van de wielen. Door het vele getrek en gesjor komen we tergend langzaam vooruit. We beginnen er al rekening mee te houden dat we onze bestemming niet gaan halen. We blijven stijgen en stijgen om uiteindelijk een bergkam over te steken. De diepte voor ons zal ons zeker nog enkele uren laten zwoegen, in de verte zien we de lichten van een stad terwijl het al begint te schemeren. Langsvliegende troepen papegaaien doen ons even niet zoveel want we hebben haast. Tot overmaat van ramp scheurt Ronnie´s buitenband open langs een rots en klapt de binnenband. Provisorisch opgelapt door de oude binnenband voor het gat langs te wikkelen, gaan we verder.

Nadat we ons langs enkele afgronden manoevreren komen we uiteindelijk langs een klein boerderijtje. We geven de moed op en vragen of we onze tent kunnen opzetten bij het riviertje. Er blijken drie cowboys te wonen. De eerste zegt dat we onze tent onder het afdak van het huis kunnen zetten. Maar vanwege de ongelijke grond besluiten we de hangmatten maar op te hangen. De mannen zijn zo gastvrij dat we ook de douche (lees: drie schotjes met een tuinslang) en de keuken mogen gebruiken. We maken een prak van macaroni en er wordt ons ook nog eens zelfgemaakte kaas aangeboden. De volgende morgen bieden ze ons zelfs melk aan. Dit slaan we niet af en het tappen van wat melk gaat als volgt: We lopen met onze mokken met de cowboy mee naar de wei naar 1 van de 8 koeien. Er wordt een kalf bij de uiers gelaten, zodat moederkoe niet wegloopt. ervolgens bindt hij de achterpoten vast en wordt het kalf met zijn kop vastgebonden aan de voorpoot van de koe. De tepels worden schoongemaakt met de pluim van de staart en het melken kan beginnen. Zo vers hebben we de melk nog niet vaak gehad. We nemen afscheid van de cowboys en vertrekken. Het kost ons zeker nog een halve dag om Olanchito te bereiken.

to do:
De tocht ging verder en het heeft ons nog drie uur gekost om Olanchito te bereiken (dit was ons doel van de vorige dag). Om ons  tijdverlies in te halen en omdat ons visum binnen een week verloopt hebben we het laatste traject gebruik gemaakt van de bus. Aangekomen in La Union een hotel gevonden en inkopen gedaan voor de volgende dag. Vanuit deze plaats zijn we 14 km bergop gefietst naar  La Muralla, een Nationaal park. Flink afzien, maar een erg mooie route. In het park aangekomen mochten we onze tent opzetten onder het afdak van het bezoekerscentrum. We waren de enige gasten.
s Middags nog een wandeling gemaakt en veel apen gezien. Verder grote troepen papegaaien. Al fietsend de volgende dag verder gegaan naar Guiamaca, 108 km gefietst met veel bagger, door een spectaculair landschap. Het vervolg naar Danli was zwaar en ambitieus, ongeveer 145 km af te leggen in een dag. Dit was gisteren. Flink afzien want naast veel gravelwegen zaten er een paar lange klimmen tussen, een van 22 km. Tegen het einde van de middag zagen we al in dat t moeilijk werd. De plaats voor Danli bleek geen hotel te hebben dus moesten we verder. Het werd echter al donker en er kwamen nog wat klimmen om de bocht kijken. Uiteindelijk zagen we toch een motel, hier aangeklopt. T zag er wat wazig uit, alles erg goed afgeschermd etc. Het bleek dat je er kamers per uur moest huren met een maximum van vier uren, fijne boel... Het idee stond ons erg tegen maar we wisten ze ervan te overtuigen dat we absoluut niet verder konden fietsen, dat zagen zij ook wel in. Dus kregen we een kamer voor een hele nacht voor een budgettarief. Het was er goed voor elkaar, schoon, goeie hete douche etc.. Verder lagen er handdoeken en een rubber klaar... Het was vrij rustig weinig andere gasten.. Alleen onze buren lieten ons nog even meegenieten, maar die waren na een half uur al weer vertrokken…  Zo zie je maar dat je soms afhankelijk bent van anderen en niet altijd keuze hebt.

Momenteel bevinden we ons in Esteli, Nicaragua, 125 km van de grens. Hiervoor overnacht in Ocotal, klein hotelkamertje wat veel weg had van een schuur, vooral de muis die tegen Ronnie’s voet botste tijdens zijn vlucht uit de kamer.
back

Reisverslag 5

We komen het vijfde land binnen: Nicaragua. Net als Honduras is ook Nicaragua een derdewereldland. De burgeroorlog, aardbevingen en orkanen hebben hun sporen nagelaten. Het aantal zwerfkinderen is in dit land hoger dan in de voorgaande landen. Sociale voorzieningen zijn hier slecht geregeld zodat de onderlaag van de bevolking en gehandicapten een zwaar leven leiden.

Ondanks de misere is Nicaragua (ook wel land van de vulkanen en meren genoemd) een boeiend land. Een groot deel van het landoppervlak bestaat uit de twee grote meren met de namen Managuameer (genoemd naar de hoofdstad) en het, grotere, Nicaraguameer. De laatste bevat 365 eilanden (voor elke dag van het jaar een, zo zegt men hier), waarvan Ometepe het grootst is en daarbij ook het grootste zoetwatereiland ter wereld.  Een rij van 28 vulkanen strekt zich uit over het land paralel aan de westkust, de grote oceaan. Een zestal vulcanen is actief geweest in de twintigste eeuw en een viertal vertoont op dit moment een constante rookpluim.

De route vanaf de grensplaats in het noorden leidt ons via Ocotal naar Esteli. Het is hier natuurrijk en dunbevolkt (daardoor weinig verkeer). Samen met het goede asfalt maken deze elementen de perfecte fietsomstandigheden. De route naar Leon is zeker een hoogtepunt voor ons in Nicaragua. Vanuit het hoogland gaan we richting de kust. Binnen het tijdsbestek van een dag fiets je naar een geheel ander klimaat toe, van de koelte en regen naar de droge en hete kust. Het eerste deel bestaat uit afdalingen en na 30 kilometer komen we uit op de vlakte, iets dat we lang niet meer gezien hadden. In de verte zien we een deel van de rij vulkanen al liggen. Vooral de Momotombo met zijn perfecte kegelvorm geeft een mysterische aanblik. We zien door het heldere weer tien vulkanen op een rij liggen over een afstand van meer dan 60 kilometer. Het is goed te zien welke actief zijn door de grijze kleur van uitgestoten as en puin terwijl de slapende vulkanen een groene kleur hebben door de vegetatie. Uiteindelijk moeten we nog een deel klimmen om de bergkam tussen twee vulkanen te passeren. Een kleine afstand na de kam stoppen we in het dorp San Jacinto om de borrelende modderpoelen te bezoeken. Kokende modder spat in grijze flarden omhoog. De verbinding met de vulkaan Telica via een ader veroorzaakt dit natuurverschijnsel. De kinderen die hier rondlopen willen graag als gids de route aanwijzen, zodat je niet wegzakt op plaatsen met een te zachte bodem en daardoor levend gekookt wordt.

Met de wind in de rug houden we het tempo hoog. Met gemak leggen we 120 kilometer af  deze dag en komen we aan in Leon. Deze koloniale stad is een van de mooiste van Nicaragua. De spanjaarden hebben het druk gehad met het bouwen van catedralen. In een halve dag hebben we een redelijk beeld van deze stad en besluiten verder te fietsen naar de kust van de grote oceaan. Deze kust zullen we voor het eerst aandoen deze reis, tot nog toe hebben we alleen de caribische kant bezocht van Centraal Amerika. Poneloya is een dorp gelegen tegen het strand. De golven zijn hier enorm hoog, er wordt beweerd dat ze het hoogst zijn van Centraal America. Kilometers lopen we over het strand zonder een mens tegen te komen. Las Penitas is het volgende strand waar schildpadden eieren leggen. Helaas zien we er geen voordat we terugkeren. Een groot blauwgeverfd gebouw opgetrokken uit planken is ons hotel. Het ruikt erg muf en de planken zakken door onder je voeten. De ruimte boven ons vertrek is open en een balkonnetje geeft een idyllisch uitzicht op de ruige zee. Ook ’s nachts is het warm zodat onze balkondeur open blijft. Naast een enkele reiziger wordt het hotel ook bewoond door groepen vleermuizen die ’s nachts boven ons bed via de balkonopening naar binnen en buiten scheren.

Onze volgende bestemming is Granada, volgens ons de mooiste stad van Nicaragua. We rekenen hier drie dagen fietsen voor zodat we de eerste dag aankomen in La Paz Centro. De route blijkt een drukke weg te zijn, vooral met grote trucks die op weg zijn naar de hoofdstad Managua. La Paz Centro blijkt een stoffig dorp te zijn met overwegend onvriendelijke inwoners, het heeft het karakter van een grensplaats of havenstad. Enkele kleine pensions zijn vol of spreken ons niet aan. Via een man die ons wat plaatsen heeft laten zien komen we terecht bij een bejaarde vrouw die nog een ruimte ter beschikking heeft met een hangmat en een opklapbedje. De schuur, want dat is het feitelijk, spreekt ons meer aan dan de voorgaande pensions.

Helaas lukt het niet om de hoofdstad te ontwijken zodat we via zesbaanswegen de grote stad Managua moeten doorkruizen. Managua blijkt met zijn ruim miljoen inwoners in tegenstelling tot andere grote steden geen ´echt´ centrum te hebben. Er zijn drie buurten waar zich wat winkels en hotels bevinden. Een stadspark en theater bevinden zich aan de rand van de stad tegen het meer. Vanwege de afgelegen ligging zie je hier weinig mensen en straalt er een  desolate sfeer van uit. We vinden desondanks een goed pension waar we overnachten om de volgende dag weer snel verder te reizen naar Granada. Onderweg passeren we de heftig rokende masaya vulkaan, die daardoor een van de  grootste natuurlijke vervuilers van de wereld is. De uitstoot varieert van 500 tot 3.000 ton giftige gassen per dag!

Granada heeft een mooi stadspark waaraan een grote catedraal ligt. De palmbomen worden bewoond door groepen kwetterende papegaaien. Na ruim vijf maanden reizen per fiets krijgen we bezoek van Ronnie’s zus Danielle en zwager Marcel. We hebben met het pension in Managua geregeld dat we de fietsen ruim drie weken ´op stal´ kunnen zodat z’n vieren kunnen gaan ´backpakken´. Het is een mooie ervaring als we elkaar treffen op de luchthaven. We hebben elkaar veel te vertellen.  Met onze rugzakken zullen we door het zuiden van Nicaragua en het noorden van Costa Rica reizen. De reis begint met de pittige klim van de vulkaan Masaya. Op de rand van de krater met een doorsnee van bijna een halve kilometer, heb je een onwaarschijnlijk mooi uitzicht op het gapende gat die je het gevoel geeft je op de maan te bevinden. Af en toe krijgen we een hap rook binnen die een verstikkende hoestbui teweegbrengt. Al vrij snel hierna wordt een tweede vulkaan bedwongen, namelijk de vulkaan Concepcion, gelegen op het eiland Ometepe. Ometepe is een 8-vormig eiland met twee immense vulkanen, waarvan de Concepcion de hoogste is. Het eiland is nauwelijks betrokken geweest bij de burgeroorlog, waardoor hier zich minder ellende heeft afgespeeld. Het eiland is naast een dunne bevolking in hoge mate bevolkt door kippen en varkens die hier vrij over straat lopen. De beklimming van deze 1.610 meter hoge vulkaan gaat niet zonder slag of stoot. Het pad is moeilijk te vinden in het regenwoud, zodat we een gids ingeschakeld hebben. Om 5.00 uur vertrekken we met z´n zessen, de gids heeft een vriend meegenomen. Na een kilometer verharde weg komen we uit op het vulkaanpad. We gaan rechtsaf bij de ´Koos Kosterschool´. (We zijn er niet achter gekomen wie Koos Koster nu precies is, maar sluiten niet uit dat het een Drent betreft). De tocht naar de top neemt ongeveer 5 uren in beslag over een pad van modder en lavapuin. De dames hebben halverwege opgegeven vanwege de zwaarte van het traject en zijn met de tweede gids teruggegaan. Uiteindelijk bereiken we de top door de laatste 100 meter af te leggen over losliggend lavapuin. We zijn doornat van de hevige regenbuien. Ter hoogte van de krater stormt en regent het, maar kunnen we al liggend toch een blik werpen over de rand van de krater die nog rook uitblaast. Na een lange afdaling komen we vanuit een woud van planten (met bereklauwachtige bladeren) weer uit in tropisch regenwoud.

Costa Rica is het volgende land waar we eerst de westkust van het schiereiland Nicoya bezoeken. De kust is bezaaid met mooie tropische palmenstranden. Vanwege de slechte infrastructuur van de kust van Nicoya  zijn we vaak de enige reizigers. We bereiken al lopend Ostional. Dit strand is onderdeel van een beschermd gebied omdat schildpadden hier massaal hun eieren leggen. Dit is voor ons de reden om er een zware tocht met bepakking voor over te hebben om dit mee te maken. Als we ons geinstalleerd hebben in een pension, zien we ´s middags al hoe de eerste schildpadden zich het strand opworstelen. Het kost deze schildpadden (olive ridley) enorm veel energie om zich in het mulle zand te verplaatsen. Met hun vinnen moeten ze het logge lijf van meer dan 50 kilo vooruitschuiven. Heel facinerend hoe een gat gegraven wordt met de achtervinnen, de eieren (vergelijkbaar met een pingpongbal) gelegd worden en het gat wordt dichtgeveegd om weer zeewaarts te gaan. En dan te weten dat dezelfde schildpadden meerdere malen terugkomen dit seizoen om deze exercitie te herhalen. In totaal zien we ongeveer 40 schildpadden. In een geval was een schildpad zo uitgeput dat deze haar eieren al op de vloedlijn dropte. We hebben het werk maar even overgenomen om de eieren ergens anders alsnog in een nest te deponeren. Hiermee hadden we daarvoor al even ervaring opgedaan. Op een plaats waar een kleine rivier in de zee uitmondt bleek een deel van het strand weggespoeld te worden. Zwarte gieren waren al druk bezig om een blootgelegd nest eieren te verorberen. Ook de overgebleven eieren hebben we ergens anders begraven, wie weet hebben we weer een paar schildpaddenlevens gered.
Aan het strand is duidelijk te zien dat een aanzienlijk groot deel van de eieren niet zal uitkomen. Zo wordt een groot deel van de eerste nesten blootgelegd door de ´graafwerkzaamheden´ van volgende schildpadden. In een geval zagen we dit ook gebeuren, een schildpad wierp met haar achtervinnen veel eieren op het strand. Dit is een reden dat de eerste legsels door de plaatselijke bevolking geraapt mogen worden voor consumptie. Verder worden veel nesten blootgelegd door gieren en zwerfhonden, zodoende lag het strand bezaaid met lege eierdoppen. Tenslotte worden veel van de uitgekomen schildpadden opgevreten door gieren en honden op het strand en door vissen en vogels achter de vloedlijn. We zien nog een aantal schildpadjes ter grootte van 5 cm de sprint naar de zee inzetten opweg naar het avontuur.

Onze reis vervolgt zich via de twee vulkanen Poas en Arenal. De eerste heeft een turquoise kratermeer waarvan ons vanwege het even opentrekken van de dikke bewolking  slechts een minuutdurende blik wordt gegund. De tweede is nog  actief met wekelijks kleine erupties, lavastromen zijn daardoor ´s avonds zichtbaar. In ons volgende verslag berichten we over het vervolg van Costa Rica en Nicaragua.
back

Reisverslag 6

Via het prachtige moerasgebied Caño Negro reizen we per boot over de Rio Frio naar de grens met Nicaragua. We komen aan in San Carlos, een uit hout opgetrokken vissersdorp gelegen aan de legendarische rivier San Juan en het grote meer van Nicaragua. Op een heuvel in het midden van dit plaatsje liggen de resten van een oud fort met stadsmuren die voorzien zijn van enkele zware kanonnen. De mensen hier zijn bijzonder vriendelijk en kinderen willen graag op de foto. Ons doel is om vanuit deze plaats de veerboot te nemen naar het vijf uren verderop gelegen El Castillo dat geisoleerd aan de oever van de rio San Juan ligt, welke uitmondt in de Caribische zee.

De tocht over de rivier is adembenemend mooi, we zien veel vogels en schildpadden. Na twee uren moeten we vanaf het dek naar beneden. Binnen enkele minuten is de lucht namelijk dichtgetrokken met zware bewolking  en moeten we schuilen voor een heftige tropische regenbui. Het is regentijd, dit betekent dat je dagelijks getrakteerd wordt op een flinke plensbui. Naarmate je verder naar de Caribische kust gaat wordt de gemiddelde neerslag hoger, met een maximum van rond 5.000 mm op jaarbasis. El Castillo heeft een goed bewaard gebleven 17e eeuws fort, genaamd ´La fortaleza de la Inmaculada Concepcion´. Dit fort is door de spanjaarden gebouwd om onder andere piraten op afstand te houden. Alleen Lord Nelson is er in geslaagd het fort te overmeesteren,  echter moest zich later terugtrekken vanwege tropische ziekten. De setting vanaf de muren van het fort is uniek: de brede rivier met de stroomversnellingen en de heuvels met tropisch regenwoud op de achtergrond.

Via San Carlos reizen we via het binnenland terug naar Managua, waar we afscheid nemen van Danielle en Marcel, onze (schoon)zus en zwager.

We halen onze fietsen weer van stal. Ze stonden geparkeerd in het pension in Managua. De achteras van Ronnie was geheel versleten, een nieuwe as is vanuit Nederland meegenomen. Deze willen we laten vervangen in Granada. We zien een fietsenzaak met een uithangbord waarop alle bekende fietsmerken uit fietsenland vermeld staan. Dus hier zitten we goed, denken we. Helaas, er worden alleen onderdelen verkocht en wel van Nicaraguaanse makelij. Het reclamebord buiten blijkt meer voor de show te zijn. De verkoper verwijst ons naar ´Taller Richard´, de beste monteur van Granada. Na enkele omzwervingen komen we bij zijn huis. Via de woonkamer worden we binnengelaten naar de werkplaats. Oude frames en banden liggen op een twee meter hoge berg door elkaar heen, een papegaai zit op een spaakloos wiel dat aan een draadje aan het plafond hangt. We leggen uit wat het probleem is en Richard, een man van tegen de 50, en zijn assistent gaan aan de slag. Het eerste probleem is het verwijderen van de tandwielencassette, ze beschikken niet over de passende sleutel. Een oud scharnier wordt bewerkt en omgevormd tot gereedschap, het lukt ze nog ook. Liever wil je niet kijken hoe ze stonden te rammen met z´n tweeen, maar je hebt geen keus. Tussendoor worden er nog wat banden geplakt van lokale bikers. Dit gaat op een bijzondere manier: met een klem en een strijkijzer wordt een stuk pasta op het lek geperst en wordt het lek geheeld. Je krijgt hier bewondering voor de inventieve manier waarop ze hier werken, ook elk volgend probleem dat zich met ons wiel voordoet wordt opgelost. Het gaat lang duren en we besluiten halverwege de middag terug te keren. De as blijkt goed te zijn vervangen en wij zijn dolgelukkig: we kunnen weer verder richting het zuiden.

De tocht vanuit Granada naar Costa Rica verloopt soepel. Alleen de grensovergang verloopt traag, onder andere omdat we onze fietsen weer moeten exporteren. Jawel, we kregen voor beide fietsen een certificaat voorzien van veel stempels en parafen.

De route in Costa Rica gaat langs de oostkust langs de plaatsen  Liberia, Jaco en Quepos. Vanaf de krokodillenbrug bij Tarcoles zien we nog 15 krokodillen, waarvan enkele ruim vier meter lang. Ze liggen vlak bij de brug terwijl het verkeer daar overheen raast. Bij Quepos ligt het natuurreservaat Manuel Antonio. Er zijn veel dieren te zien en de stranden zijn bijzonder mooi. Veel dieren zijn bijna tam zoals apen en wasberen. Ze zijn al gewend geraakt aan de horden toeristen die dit park aandoen.

Via Dominical en Palmar Norte bereiken we het schiereiland Osa. Dit is een van de meest ongerepte gebieden van Costa Rica en dat spreekt ons des te meer aan. Het reservaat Corcovado wordt weinig bezocht puur vanwege de slechte bereikbaarheid. Alleen een hoge vierwielaandrijving kan het eindpunt Carate, waar het Corcovado begint, bereiken.

Het is ongeveer 130 kilometer fietsen om Carate te bereiken. We doen hier 2 dagen over en overnachten in het dorp La Palma. Het is ons al eerder opgevallen dat Costa Rica bijzonder veel soorten wildleven kent, het leuke is vooral dat je hier veel ziet vanaf de fiets. Apen, neusberen, schildpadden, leguanen en veel vogels zie je tijdens het fietsen. We zien zelfs enkele keren vogelspinnen langs de kant van de weg. De tocht naar Carate is zwaar maar zeker de moeite waard. We zien al drie soorten apen en veel vogels waaronder roze lepelaars, ooievaars en veel roofvogels. Vooral de rode ara´s die hier in grote getale voorkomen zijn een hoogtepunt. Met veel geschreeuw en gekrijs vliegt een hele zwerm voor ons uit. Deze grote vogels met de kleuren rood, blauw en geel zijn een fantastisch gezicht zo in het wild. Dit maakt het vele klimwerk en het zware parcours weer helemaal goed. Aan het gravel waren we al gewend, maar nieuwe obstakels zijn de rivieren die we moeten oversteken. Sommige zijn 20 cm diep waar je fietsend door heen kunt, de keien ontwijkend. Een enkele keer is de rivier zo diep dat onze fietstassen tot halverwege onder water gaan, gelukkig zijn ze waterdicht. Uiteindelijk komen we aan in Carate. We zijn op zoek naar het rangerstation waar reservaatbewakers bivakkeren. We laten ons vertellen dat we de weg die doorloopt kunnen volgen, echter er wordt ons niet bij verteld dat we een afslag naar links moeten hebben die door een rivier naar het strand gaat. We volgen de weg en moeten zo´n vijf keer een zelfde riviertje oversteken waarna een verschrikkelijk zware klim begint de bergen in. Dit hadden we niet verwacht, maar goed, geen mens te bekennen om nog ´ns naar de weg te vragen, dus verder bikkelen maar. De klim wordt zo zwaar dat we met z´n tweeen 1 fiets tegelijk naar boven moeten slepen over de glibberige keien en modder. We komen uit bij een junglelodge. En wat we vermoedden wordt waarheid, we zitten volslagen verkeerd. Er staat een terreinwagen die de weg naar boven alleen met sneeuwkettingen kan nemen.Er komt een blanke vrouw op ons aflopen, ze heet Lana en is helemaal verbijsterd dat we met de fietsen boven zijn gekomen. Ze neemt ons mee naar een terras met een prachtig uitzicht over de jungle en laat koud water voor ons halen. We geven aan wat onze plannen zijn en komen tot de conclusie dat het al te laat is om verder te gaan. We mogen camperen in een van tenten die al opgebouwd zijn hoger op de berg.  Het is er bijzonder luxe, dit is ook wel aan de prijzen te zien, want een bungalow met palmbladerendak kost (incl. een warme maaltijd) 175 Euro per nacht voor twee personen.  We worden heel gastvrij opgevangen en krijgen een heerlijke drie gangen maaltijd voorgeschoteld. ´s Avonds laat een van de medewerkers ons nog een glaskikker zien die vlak bij de lodge voorkomt. De naam dankt dit beestje aan het feit dat je dwars door hem heen kunt kijken en zelfs het hart kunt zien kloppen.  We zien nog een luiaard met jong aan een tak vastgeklampt.

De volgende morgen nemen we afscheid en nemen we de afdaling richting het strand. We moeten nog 3,5 km over het strand afleggen.  Sommige stukken kun je fietsen, andere stukken moeten we lopen omdat we te ver wegzakken. Bijna missen we het gebouw van het rangerstation dat achter de bomen verscholen ligt, maar een van de opzichters zwaait heftig met zijn armen terwijl hij naar ons rent. Hij is hevig verrast, kennelijk wordt hier niet vaak gefietst. Hij legt uit dat hij dacht dat wij linea recta het reservaat in zouden fietsen, hetgeen niet gebruikelijk schijnt  te zijn. Wij antwoorden hem daarop dat we heel blij zijn dat we bij het rangerstation zijn aangekomen, want dat zochten we uiteindelijk. In ieder geval worden we gastvrij ontvangen en hebben de mannen, gezien het grote aantal vragen dat we op ons afgevuurd krijgen, veel interesse in de wijze waarop we reizen.

We mogen onze tent opzetten onder een afdak. We staan aan de rand van het strand met geweldig hoge golven. Aan de andere kant kijken we tegen het regenwoud aan.   We koken zelf met onze benzinebrander en ondertussen loopt er een neusbeer langs en komen er af en toe ara´s langsscheren en passeert eenmaal een groep van 10 grote toekans met paarsgele snavels. Ook zien we brulapen rondklimmen vanaf onze kampeerstek. De volgende morgen zien we aan de sporen in het strand dat een schildpad 10 meter van onze tent zijn eieren heeft gelegd in het strand. Echt een paradijs. Al lopend gaan we op weg naar Sirena, een volgend kamp 16 km verderop gelegen. Hier overnachten we in onze lichtgewichthangmatten met ingebouwd muskietennet. Een net is hier hard nodig, want als om 18.00 uur de zon ondergaat wemelt het er van de muskieten. ´s Avonds hebben we leuke gesprekken met een Amerikaans stel dat al lang in Brazilie woont en nu al voor de 22e maand aan het reizen is per landrover.  De tocht gaat de volgende morgen weer terug. We zien veel wildlife, zoals spinapen, witkopapen, agouti´s (knaagdier ter grootte van een konijn), neusberen in groepen van groter dan 20, sporen van tapirs, een rood blauwe slang van ruim 2 meter, een luiaard en veel soorten tropische vogels. Kortom, hoewel erg zwaar, een superbelevenis. Qua natuur zien we deze ´expeditie´ als een van de hoogtepunten van onze reis tot nog toe.

Als we vanuit het dorp Puerto Jimenez de boot nemen naar Golfito, anderhalf uur verderop, om onze reis naar de grens met Panama te vervolgen, worden we nog vergezeld door een school dolfijnen. Vlak naast de boot vertonen deze dieren hun duikkunsten. De Golfo Dulce die we oversteken wordt in de maanden november en december ook bezocht door walvissen.

In ons volgende verslag zullen we ingaan opons laatste land in Centraal Amerika: Panama. Verder zullen we een terugblik geven over hoe we de fietsreis tot nog toe ervaren hebben.
back

Reisverslag 7

Puerto Jiminez – Panama City

Voordat we de grens van Costa Rica naar Panama oversteken, besteden we onze laatste Colonnes aan een ‘casado’ oftewel  een simpele prak bestaande uit kip, rijst, bruine bonen en salade. Het vult goed en voor 1,5 Euro per persoon incl. een glas sap, mag je niet klagen.

De overtocht van verloopt aanzienlijk sneller dan de binnenkomst van Costa Rica. Normaal krijgen we een stempel in het paspoort en kunnen we weer verder, maar dit keer worden we toch gevraagd onze vertrektickets te tonen, zodat men er zeker is dat we het land weer verlaten. Helaas hebben we deze niet. Maar we slagen er toch in ons begeerde stempeltje te bemachtigen wanneer we slagen voor de ´kredietwaardigheidstoets’, oftewel het tonen van je creditcard en wat dollars. Kortom, het was even schrikken, maar we mogen verder.

Panama is een ontwikkeld land. Het is niet te vergelijken met landen als Honduras, Guatemala of Nicaragua tewijl deze landen toch relatief dichtbij liggen. Maar naast de westelijke uitstraling van de steden,  komen hier toch ook nog drie indianengroepen voor die soms nog erg primitief leven, vooral in het Dariengebied, dat de grens met Colombia vormt.

Via de stad David gaan we via de hooglanden richting de caribische kust. Na 50 kilometer vals plat, psychisch niet het mooiste klimwerk, komen we aan bij een restaurantje vlak voor het dorp Boquete. We drinken een cola om de suikerspiegel weer wat aan te vullen.  De vrouw die zich voortstelt als  Nubia valt gelijk met de deur in huis met de vraag of we bij haar willen overnachten. Ze heeft al eerder fietsers te logeren gehad.
We moeten dan wel de badkamer delen met haar dochter en moeder. Wij mogen boven overnachten, een kleine slaapkamer met een klein balkon. Het staat ons wel aan en voor 8 Bilboa (gelijk aan 8 Amerikaanse Dollar, Panama heeft de Dollar als betaaleenheid, alleen heeft er een andere naam aangegeven), is de kamer voor ons. Zo zie je maar, het zoeken naar een overnachtingsplaats hoeft helemaal niet moeilijk te zijn.

We zetten onze tocht voort door het hoogland van Panama om bij de Caribische kust uit te komen. Urenlang klimmen we een over gravelweg waar nauwelijks verkeer langs komt. Naast de zware klim worden we ook geteisterd door veel regen.  Via kleine gehuchten en een uitzichtpunt over het lage land en de Grote Oceaan komen we uiteindelijk uit op de asfaltweg die naar de Noordkust leidt. We verwachten op het hoogste punt te zijn, maar dat valt tegen, we moeten zeker nog een 25 kilometer klimmen. Maar de afdaling door prachtig tropisch regenwoud en langs indianenhutten en het uitzicht op de Atlantische Oceaan maken alles weer goed. Panama is zo smal dat je de beide oceanen makkelijk in een dag kunt zien.  Het kost ons nog een dag om op het eiland Bocas del Toro te komen, de asfaltweg  hiernaartoe is nieuw en gaat dwars door het tropisch regenwoud. Ondanks dat er veel gekapt wordt, zien we een luiaard die uit een rivier klimt, een grote kaaiman en veel toucans en andere soorten vogels. Op Bocas del Toro blijkt het enorm veel te regenen, we waren hier al voor gewaarschuwd door andere reizigers. Een van de drie dagen is het weer goed genoeg om de onderwaterwereld van dit eiland te zien, deze is geweldig mooi en makkelijk te bekijken door te snorkelen. Prachtig koraal, murenen (groot type paling), kreeften en zeeslangen zijn te zien. De tijd dat het regent besteden we grotendeels met inlezen over de volgende bestemmingen en het bijhouden van de Spaanse taal.

We gaan zo snel mogeljik weer terug naar het kustgebied van de Grote Oceaan en vervolgen onze weg naar Panama City. Het grootste deel van de route van 450 kilometer gaat over de Panamerican Highway. Gelukkig is het niet al te druk op deze weg en is de vluchtstrook ideaal om te fietsen. Dit schiet lekker op. We worden slechts eenmaal gehinderd door een rivier die buiten haar oevers is getreden zodat honderden meters van de autoweg blank staan, ondanks de stroming gaat de oversteek ons beter af dan enkele auto’s die waterschade hebben opgelopen.

Dan komt ons eindpunt van Midden Amerika in zicht. We moeten de enorme Brug der America’s oversteken om Panama City binnen te komen. Eerste gaat het zo’n 400 omhoog, daarna de afdaling die een stuk sneller gaat. Het oversteken van deze brug is een hachelijke onderneming: het verkeer raast over een vierbaans snelweg met smalle banen zonder vluchtstrook. Maar we hebben geen keus, het overdekte voetgangerspad van de brug is te smal voor onze fietsen. Maar dan fietsen we: helm op en het verkeer achter je in de gaten houdend middels een spiegel (deze heb je hier echt nodig). We kiezen er op dit soort wegen meestal voor om op het midden van de rijstrook te fietsten, zo rem je het verkeer achter je meer af! Vooral bussen hebben er een handje van om met een hoge snelheid vlak bij je langs te denderen als ze denken dat ze genoeg ruimte hebben. Als ze ons van dichtbij naderen (vaak heftig claxonerend), maken we voldoende ruimte naar rechts zodat ze er langs kunnen. Het voordeel is dan dat de snelheid er uit is. In ieder geval: de oversteek verloopt zonder problemen, grote trucks en bussen geven ons voldoende ruimte.

Panama City is wijkt helemaal af ten opzichte van de rest van Midden Amerika. Wolkenkrabbers in het bankencentrum bepalen de skyline. Alles is hier weer verkrijgbaar, zodat we hier onze bikes laten reviseren bij een mounainbike- en racefietsspeciaalzaak. Het kost ons veel tijd om deze zaak te vinden, omdat men hier niet het principe van huisnummers kent. Postbodes kent men niet: haal je eigen post maar van het postkantoor. Zodoende is de huisnummering ook maar achterwege gelaten.

Naast de bezienswaardigheden van de ruines van de de oude stad Panama en de vestingswijk Casco Viejo is het hoogtepunt van de stad het Panamaalkanaal. Een van de grootste bouwwerken ter wereld. Het kanaal loopt over het smalste deel van het continent. Al vanaf de Spaanse bezetting is dit deel van enorm logistiek belang geweest om goederen van de grote Oceaan naar de Atlantisch zijde te vervoeren. Vroeger ging het transport via paarden, tegenwoordig per schip of trein. Vele jaren heeft het gekost om het traject van ruim 50 kilometer te voorzien van een kanaal. De eerste poging werd door de Fransen gewaagd, Ingenieur Lesseps had zich namelijk al bewezen met de bouw van het Suez kanaal in Egypte. Onder andere ziekte, financieel wanbeheer en andere factoren hebben zorgen voor het fiasco van deze poging met 22.000 doden als gevolg (voornamelijk als gevolg van malaria en gele koortrs). Uiteindelijk zijn de Amerikanen onder leiding van Goethals er wel in gelaagd het kanaal tot een succes te laten worden. Het feit dat de doortocht van het kanaal een kostbare aangelegenheid is, wordt vooral veroorzaakt door de investering in - en bediending van de sluizen die het kanaal over een hoger deel van het land leiden. Een meer,dat in de regentijd gevuld wordt, zorgt voor de toevoer van het water aan de sluizen. De locatie waar wij het proces in gang zagen betrof de Miraflores sluizen. Hier is ook een bezoekerscentrum en wordt daarnaast informatie verstrekt over de schepen die de sluizen passeren. We zien enkele containerschepen passeren. Enorme gevaarten van ruim 300 meter lang verschepen zo’n 4.000 containers per schip. Met locomotieven worden ze door de sluizen getrokken. De tolgelden die betaald worden van de schepen die we zien passeren bedragen rond de 115.000 euro per schip. berekend op basis van tonnage.
 

De oversteek naar Zuid Amerika ligt voor de deur. We willen de oversteek maken naar Venezuela omdat er geen weg naar Zuid Amerika is. Het grensgebied bestaat uit ondoordringbaar regenwoud dat deels als onveilig wordt beschouwd vanwege de aanwezigheid van drugstransporten en guerillias. Daarnaast is Colombia momenteel te onveilig om te doorkruisen per fiets. De route overzee afleggen wordt te ingewikkeld en gaat te veel tijd in beslag nemen zodat we een ticket boeken naar Caracas, Venezuela.

Het afgelopen half jaar was erg enerverend. Kort samengevat kijken we als volgt terug op Mexico en de landen van Centraal Amerika die we al fietsend hebben doorgestoken. In de eerste plaats zijn de landen erg afwisselend ten opzichte van elkaar. In Mexico, Guatemala, Belize en Honduras waren we erg geboeid door de indianencultuur en de Mayasteden. De Mayasteden Yaxchilan (Mexico) El Mirador (Guatemala) en Caracol (Belize) beschouwden we als de meest indrukwekkendste van onze reis. De afgelegen ligging in tropisch regenwoud en het feit dat je daardoor als enige personen door deze antieke steden  kunt rondstruinen maken het geheel erg fascinerend. Door het breukvlak in de aardkost die door Centraal Amerika loopt, vind je hier veel vulkanen. Guatemala  Nicaragua´en Costa rica hebben de meeste, waarvan er vele goed te beklimmen zijn. De onderwaterwereld van Honduras aan de Caribische kust was ook een van de hoogtepunten: de koralen en vele vissoorten zijn adembenemend mooi. In alle landen die we aangedaan hebben was nog redelijk veel tropisch regenwoud te vinden. Maar voor het zien van wildleven, staat  Costa Rica met stipt op nummer 1. De inwoners van dit land, de Tico´s, zijn zuinig op de natuur van hun land. Overigens is het ook in Panama redelijk makkelijk wildlife te zien, zij het minder overvloedig dan Costa Rica.

We hebben ervoor gekozen om per fiets te reizen omdat je op deze wijze meer van een land ziet en niet afhankelijk bent van vervoer van derden. Het is daardoor ook mogelijk om op afgelegen plaatsen te komen waar je de enige reiziger bent. Een ander voordeel van het reizen per fiets is dat je makkelijker contact legt met de lokale bevolking. Afgezien van materiaalpech en veel lekke banden is het fietsen ons tot nog toe goed afgegaan. Het extra gewicht van de bagage en het slechte wegdek van de gravelwegen laten alles dubbel zo snel slijten. Sommige trajecten waren niet risicoloos. Fietspaden kent men hier niet. Dit is logisch gezien het feit dat de meeste landen al moeite hebben om doorgaande wegen enigszins te plaveien. Er wordt toch redelijk veel gefietst door locale bevolking alhoewel dit meestal binnen de bebouwde kom gebeurt. Het verkeer op doorgaande wegen, zoals de Panamerican highway, is daardoor niet echt gewend aan fietsers op de weg.

We staan nu aan het begin van het tweede deel van onze reis: Zuid Amerika! Een globale routebeschrijving en een eerste impressie van Venezuela zullen we in het volgende reisverslag weergeven. Vanaf hier zal het tweede deel van onze reis beginnen: Zuid Amerika!
back
 

Reisverslag 8

Inmiddels zijn we vanuit Panama, per vliegtuig, aangekomen in Zuid Amerika, Venezuela. Een globale routebeschrijving van van onze reis door dit werelddeel ziet er als volgt uit: vanaf Caracas steken we het binnenland door richting Brazilie. Boa Vista is het ‘knooppunt’ in het Amazonegebied van Brazilie, dat ons naar Guyana (voormalige Britse kolonie) leidt, om hier de oversteek te maken naar Suriname. Vanaf Frans Guyana gaan we verder naar Belem in Brazilie. Via de amazone zullen we het traject naar Peru  grotendeels per boot (Amazonerivier) afleggen. Kortom er breekt een spannende tijd aan omdat deze gebieden uitgestrekter en dunner bevolkt zijn dan Centraal America. Daarnaast is de omgeving gemiddeld nog ongerepter. Dit betekent dat we onze voorbereidingen extra goed zullen moeten treffen om problemen zoals voedsel- en watertekort het hoofd te bieden.

In Bogota, de hoofdstad van Colombia, maken we een tussenlanding. De beveiligingsprocedures zijn hier enorm streng. Meerdere malen worden we gefouilleerd en onze bagage gecontroleerd. Het veiltje dat zich in onze nagelknipper bevindt, blijkt volgens Colombiaans inzicht ook voor minder vredelievende doeleinden gebruikt te kunnen worden. Zonder pardon wordt dit moordwapen van maarliefst 2,5 cm van de nagelknipper afgebroken en kunnen we,  na een waarschuwing, weer verder. De multitool met ingebouwd zakmes bevindt zich (abusievelijk) ook in onze handbagage maar wordt gelukkig niet opgemerkt. Zijn we hierdoor aan een gevangenisstraf  ontkomen? Even later vliegen we verder naar Caracas.

De bagageafhandeling in Caracas verloopt boven verwachting soepel. De dozen met onze fietsen zijn heelhuids overgekomen. Anders was het  toen we onze bikes in Mexico-City afhaalden, de frames staken hier half uit de dozen. De les voor ons was om een volgende keer de dozen hermetisch dicht te tapen. Dit heeft kennelijk toch succes gehad. Wat ons ook is bijgebleven van Mexico is de rit in het donker van de luchthaven naar het hotel. Ook al was de afstand slechts enkele kilometers, de zesbaanswegen en het oversteken hiervan zullen we niemand aanraden (ook niet bij daglicht). Dit keer nemen zodoende een taxi. De taxichauffeur geeft aan dat de dozen geen enkel probleem zijn. Zijn auto blijkt een uit de kluiten gewassen oude Chevrolet te zijn. Beide dozen passen in de kofferbak, de klep wordt nog even met een touwtje vastgezet. Nadat er flink ondrhandeld is en ded aanvankelijke prijs met 50% is verlaagd rijden we en laten we ons afzetten bij een hotel in Catia la Mar, een kustplaatsje aan de voet van Caracas. Het driesterren hotel is feitelijk te duur voor onze wijze van reizen, maar beter wat extra betaald om zo te voorkomen dat we moeten fietsen door het centrtum van Caracas. Naast dat Caracas berucht is om het hoge criminaliteitsgehalte, zijn er op dit moment veel demonstraties tegen het bewind van president Chavez. De geruchten gaan de ronde dat er een coup in de lucht hangt om de president van zijn zetel te stoten.

De volgende morgen sleutelen we onze fietsen weer in elkaar op onze hotelkamer. Tegen de middag staan we buiten om onze tocht voort te zetten. Het land is bergachtig, dor en droog. Het traject dat we te gaan hebben bestaat uitsluitend uit klimwerk, omdat we zijn begonnen op zeeniveau. Los van enkele mooie uitzichten over de bergen en de Atlantische oceaan is er verder niet veel te zien. Tegen vier uur in de middag bereiken we het dorp Carayaca. De eerstvolgende plaats die overnachtingsmogelijkheden biedt is Colonia Tovar, hoog in de bergen, 30 km klim te gaan. Bij een benzinestation halen we wat Euro loodvrij voor ons benzinebrandertje. Een taxichauffeur rijdt voor ons uit naar een bekende van hem die enkele kamers verhuurt. Geen succes, ‘todos las habitationes estan occupadas’ hij blijkt ze al verhuurd te hebben. Inmiddels hebben wij al besloten dat we niet verder gaan. 30 km klim neemt voor ons al snel een halve dag in beslag en over twee uren is het donker. Dus maar eens kijken hoe we dit probleem weer oplossen. Dit soort situaties hebben we inmiddels al vaker meegemaakt, en meestal lossen ze zichzelf op. Een kwestie van rustig blijven en geduld hebben. In deze omgeving wildcamperen lokt ons in ieder geval niet aan. De criminaliteit komt niet alleen in caracas voor, volgens de mensen die we gesproken hebben is ook dit gebied er niet helemaal vrij van. Inmiddels is de taxichauffeur nog aan het nadenken en wij wachten geduldig af. Hij komt met een voorstel: Hij heeft nog ruimte bij hem thuis, maar wil eerst laten zien of wij het wat vinden. Ronnie stapt bij hem in zijn, in vergelijking tot de nauwe straten, veel te grote Dodge. Nadat ze gestopt zijn volgen er veel trappen langs een bergrand naar zijn huis. Hij blijkt nog een tweede huisje er tegenover te hebben en laat het vertrek zien waar we de nacht door kunnen brengen. Er staat een stoffige matras tegen de muur die we kunnen gebruiken. Zijn neefje die hier woont blijkt de komende nacht niet thuis te zijn zodat wij het huisje samen met een rode kater en een leger kakkerlakken mogen delen. Ronnie vindt het wel best, aan primitieve omstandigheden zijn we inmiddels al gewend geraakt. Even later zeulen we de fietsen met bagage de trappen af richting het huisje om ons daar te installeren. De volgende morgen is de taxichauffeur om 7 uur al weer vertrokken. Ook wij vertrekken en laten onze waardering voor zijn gastvrijheid blijken door een bijdrage achter te laten die we ook voor een simpel pension betaald zouden hebben.

De 30 kilometer klim verlopen voorspoedig, zij het dat we enkele malen belaagd worden door agressieve honden die indringers als wij op een afstand willen houden. Het valt op dat als er een begint te blaffen en de achtervolging inzet, de rest ook wakkergeschud wordt en zich aansluit. ‘Blaffende honden bijten niet’, luidt het adagium. Wij weten alleen niet of Venezolaanse honden dit spreekwoord ook kennen, en zo ja,  zich eraan houden. Af en toe even uithalen met je voet wil nog wel eens helpen, hooguit blijft er wat speeksel aan je schoen kleven. Ons reisboek ‘The Footprint’ adviseert fietsers het ‘hondenprobleem’ op te lossen door met stenen te gooien of met een stok te zwaaien. We zien hier niet veel heil in, we zien onszelf al met een mandje stenen langs de weg fietsen.

We bereiken het dorp Colonia Tovar na vier uurtjes bikkelen en een onverwacht stuk afdaling van enkele kilometers. Dit dorp ligt op zo’n 2.000 meter hoogte zodat het er soms erg koud kan zijn, uitgerekend deze dag is dat zo. Dit dorp is gesticht door uit het Zwarte Woud afkomstige Duitsers, ergens halverwege 19e eeuw. Ze hebben altijd in afzondering geleefd totdat er eind 60-er jaren een weg naar dit dorp is aangelegd. Een Venezolaanse Nederlander die we later zullen ontmoeten verklaart dat de ‘scheve ogen’ die sommige Tovarianen hebben te wijten zijn aan hun afgezonderde bestaan. Hierdoor heeft de voortplanting volgens hem ook tussen bloedverwanten plaatsgevonden. In ieder geval is het karakter van dit dorp geheel Duits. Als je onder de boog van het dorp door komt en de typische Duitse architectuur ziet, zie je een Tirolachtig lanschap. Alleen een verdwaalde palmboom en rondzoemende kolibries verraden dat hier iets niet klopt.  De aanhoudende regen en kou dwingen ons om ons heil binneshuis te zoek zodat we ’s middags aan het Tovar-bier zitten in een Bierstube. Bij de plaatselijke supermarkt (waar ze ook bratwursten verkopen) spreken we zelfs nog in het Duits met de cassiere. En dat terwijl je je hier in Venezuela bevindt, nota bene niet ver van de evenaar verwijderd!

Onze tocht vervolgt zich: een verschrikkelijk zware klim van enkele kilometers met een stijgingspercentage van zeker 20% leidt ons tot ver boven het dorp. En dan begint het betere werk, namelijk een afdaling van zo’n 25 kilometer naar  La Victoria, en dorpje met een mooi stadspark waar we lunchen. Via San Mateo komen we in Maracay, een stad met 600.000 inwoners. In deze stad ontmoeten we (via via) de Nederlander Van der Hurk die hier een mooie Posada heeft opgebouwd. Dit resort ligt tegen de bergen van het oudste nationaal park van Venezuela: Henri Pittier, bekend om zijn vele vogels (578 soorten geidentificeerd en daarmee een ‘vogelaarsmekka’. We hebben goede gesprekken met Van der Hurk en bespreken onze plannen, hij heeft nuttige informatie. We gaan terug naar ons hotelletje, waar we gewoon tussen de lokale gasten zitten. We doorkruizen het park de volgende dag per fiets naar Choroni en het vlakbijgelegen kustplaatsje Puerto Colombia. Een mooie tocht voert ons langs rode brulapenfamilies over een bergkam op 1850 meter hoogte. De afdaling gaat weer heerlijk en we bereiken na 30 kilometer Puerto Colombia, een klein vissersdorp met een oude kade die van halfvergane kanonnen is voorzien. Vlakbij dit dorp ligt een van de mooiste stranden die we tot nog toe gezien hebben. De palmstranden met zacht wit zand liggen tussen de bergen. De zee is helderblauw en van ‘sandflies’, een minuscuul steekvliegje, heb je hier geen last.

Ronnie kan zich hooguit een dag vermaken op het strand dus de volgende dag staat er iets anders op het programma: hij gaat met een vissersboot op pad. ’s Avonds komen de vissersboten terug met het grotere werk: Marlijn, een zwaardvis. Hij krijgt een visser, die zich voorstelt als Negro, zover om hem mee te nemen. De volgende morgen om 6.00 uur bij de kade, zelf brood en water meenemen. Als het de volgende morgen inmiddels bij 7.00 uur is, is de betreffende ‘Negro’ nog niet op komen dagen (niet ongebuikelijk in venezuela)  Ronnie krijgt een andere visser zo ver dedze gringo (bijnaam voor blanke) tegen een geringe betaling mee te nemen. Met de motorboot varen ze de kust af terwijl er lijnen achter de boot aan slepen. Het vissen is een kwestie van je lijn binnenhalen zo gauw je een ruk voelt, niet erg spannend dus. Ze vangen ongeveer 40 ‘bonito’s’ een kleine versie van de tonijn ter grootte van een makreel. Het barst hier van de vis voor de kust. De visser geeft de twee mooiste boonito’s mee aan Ronnie. ’s Avonds gaan ze de pan in en worden ze met rijst geserveerd, een Oosterijker  helpt ons een handje de twee vissen weg te werken.

De terugreis naar Maracay gaat weer over dezelfde bergpas, echter nu vanaf zeeniveau. De tocht van 30 km klim neemt weer redelijk wat tijd in beslag, maar het gemiddelde stijgingspercentage is goed te doen.  De afdaling is uiteraard weer een bekroning op het geleverde klimwerk. We melden ons weer bij Van Der Hurk die ons een goed aanbod heeft gedaan om in zijn posada te overnachten voor enkele nachten. hij vraagt of we zin hebben  een ‘juego de Beisbol’ bij te wonen. Honkbal is sport numero uno in Venezuela. ‘De Tigres’ van Maracay moeten spelen tegen een club uit los Llanos, het zuiden van het land. Dit aanbod slaan we niet af en een uur later zitten we op de tribune met onze gastheer en zijn Venezolaanse vrouw en twee vrienden van hen. Het stadion en veld zijn perfect onderhouden, het geheel ziet er professioneel uit. Op de achtergrond zijn de bergen van Henri Pittier en de ondergaande zon te zien. Ondertussen rennen diverse verkopers als gekken met hun eetwaren en kratten bier rond. Het bier tikt hard aan in onze afgetrainde benen van vandaag. Na de wedstrijd bezoeken we nog enkele uitgaansgelegenheden en zijn we rond een uur of twee in de morgen totaal afgemat.

In Ciudad Bolivar in het oosten van het land bezinnen we ons over het bezoeken van een van de hoogtepunten van Venezuela: Salto Angel. Deze waterval is de hoogste ter wereld en is helaas erg moeilijk te bereiken. Er naar toe fietsen wordt niet wat: er zijn geen wegen die naar ons doel leiden. De watervallen zijn alleen bereikbaar nadat een vlucht en een 80 km lange bootreis zijn gemaakt. We zijn aangewezen op een reisbureau en boeken een trip. Met twee Amerikanen en een Australier beklimmen we de Cessna om na een half uur, na een onweersbui van dichtbij gezien te hebben, aan te komen in het indianendorp Canaima.  Dit afgelegen indianendorp vaart er ogenschijnlijk wel bij. Niet lang geleden was dit nog een primitieve stam, maar inmiddels heeft ook hier de invloed van de moderne wereld zijn effect gehad: het blijft een vreemd gezicht om een simpel indianenhuis te zien waarop een enorme schotelantenne is gemonteerd.

In ons volgende relaas zullen we verder ingaan op Canaima en de Angelwatervallen in de verafgelegen binnenlanden van Venezuela.
back

Reisverslag 9

Vanuit het geïsoleerde indianendorp Canaïma zullen we de watervallen van Jimmy Angel gaan bezoeken. Canaïma is het startpunt, maar voordat we vertrekken naar ‘Salto Angel’, bezoeken we eerst de watervallen van Canaïma zelf. Dit dorp ligt namelijk aan een lagune waarin de rio Carao met veel geweld over een bergwand van 30 meter hoogte omlaag dendert. Op deze manier ontstaan een aantal bijzonder mooie watervallen met op de achtergrond de Auyan tepui, een tafelberg. Het nationaal park Canaïma is een van de grootste parken ter wereld. De watervallen van Canaïma, de Angelfalls en de hoogvlakte van de Gran Sabana maken hier deel van uit. Als we in Canaïma zijn aangekomen installeren we ons in het gastenverblijf, een overdekt gedeelte waar hangmatten hangen. Hierna vaart een bootsman ons groepje door de lagune langs de watervallen zodat we  foto’s kunnen schieten van de vallen die gedecoreerd worden met een mooi regenboogje. We leggen aan om een van de watervallen aan de andere zijde van de bergwand te kunnen bezoeken. Een glibberig bergpad voert ons naar de Cataratas ‘El Sapo’. Een van de watervallen is geschikt om onder door te lopen. Een kolossale hoeveelheid water stroomt vlak langs je en uiteraard haal je de andere kant allesbehalve droog.

Een Peruaan heeft de bergwand gedurende een jarenlange strijd uitgehakt  om deze doorgang te verwezenlijken. Hij woonde onder een rots vlak naast de waterval. De inrichting en overige gebruiksvoorwerpen zijn ter herinnering aan hem laten staan. Toen hij zijn missie volbracht had,  heeft hij zijn familie overgehaald om zijn werk te kunnen aanschouwen. Lang heeft hij niet kunnen genieten van zijn resultaat. Het verhaal zegt dat het bootje waarin de steenhouwer en zijn familie zaten is omgeslagen bij de waterval, de steenhouwer is in de onderstroming van het kolkende water verdronken. De indianen geloven nu dat de geest van de waterval hem op deze wijze gestraft heeft omdat de steenhouwer pretendeerde de eigenaar te zijn van de waterval.

Dan is het moment aangebroken dat we vertrekken naar de Angelfalls, genoemd naar de ‘ontdekker’ Jimmy Angel. De plaatselijke indianen kenden deze waterval al, maar de Amerikaanse piloot Jimmy Angel heeft hem wereldkundig gemaakt. Tijdens zijn tweede vlucht heeft hij, op zoek naar goud, een noodlanding gemaakt op de Auyan Tepui, waarvan de rio Caroni in het diepe valt.

Na 80 kilometer varen en een klein deel te voet om stroomversnellingen te ontwijken, legt onze 15 meter lange panga, een smalle houten boot, aan bij het basiskamp aan de voet van de waterval. De tocht over de ruige rivier met zijn stroomversnellingen heeft ons zeiknat gemaakt. Maar goed, we hebben geluk, het is zonnig dus we drogen snel weer op. De tocht leidde ons grotendeels door tropisch regenwoud langs de meer dan een kilometer hoge tafelbergen. Ondanks de mooie natuurlijke omgeving zien we nauwelijks wildleven, zelfs geen vogels. ‘They have eaten them all’ verklaart de Australiër Kane, verwijzend naar de indianen met hun jachtgeweren.

Na ongeveer een uur lopen staan we onder aan de, met zijn 979 meter, hoogste waterval ter wereld. In de ruig kolkende ondiepe watermassa is het lekker badderen. Door de zware stroming wordt je af en toe tegen een rots aan gesmeten wat  enkele schrammen oplevert, maar dit is bij de trip inbegrepen. Maar de hele setting is sprookjesachtig: een bijna kilometer hoge waterval die, vanaf een kaarsrechte bruinzwarte rotsmuur, in een breed nevelgordijn neerslaat op de rotsen. Vervolgens groeit dit gordijn uit  tot een kolkende rivier die haar weg vervolgt in een prachtig tropisch regenwoud. De terugweg lopen en klauteren we weer over het glibberige pad richting ons kamp waar we de nacht door gaan brengen. Otto, onze creoolse gids, laat ons nog wat wetenswaardigheden zien over het regenwoud. Zo zie je bijvoorbeeld de grote termietennesten die op zo’n hoogte zit dat een miereneter er net niet bij kan komen. Wat we niet wisten, maar waar we nu achter komen is dat termieten ook voor de mens goed eetbaar zijn. De indianen eten deze insecten. Otto stopt wat van deze levende insecten in zijn mond en laat zien dat hij geen geintje maakt. Hij trekt er zo’n verlekkerd gezicht bij dat de rest van de groep, inclusief wijzelf, het voorbeeld braaf opvolgt. Het klopt inderdaad wat ons verteld wordt, termieten smaken naar wortel en met een beetje fantasie naar hutspot.

Als we weer terug komen in ons basiskamp, zijn de kippen al gegrild boven een kampvuur. Ons verblijf bestaat uit een open ruimte met palmendak waaronder de hangmatten zijn geknoopt. We mogen onszelf gelukkig prijzen: de hele dag mooi weer gehad, terwijl reizigers, die de trip voor ons maakten, vertelden de drie dagen constant regen gehad te hebben (dit heeft de waterval tijdens ons bezoek een extra grote omvang gegeven). Als we terug zijn begint het te plensen, net op tijd terug dus. Er is geen electriciteit in het kamp, verlichting wordt gemaakt door benzine in een conservenblik aan te steken. ‘Deze 20 liter-tank kost hier in Venezuela net zoveel als deze 1.5 literfles mineraalwater’, zegt onze gids. Het blijkt inderdaad te kloppen zo zullen we later ontdekken, brandstof is spotgoedkoop in Venezuela. Het is moeilijk uit te leggen dat een liter benzine in Nederland het 20-voudige kost.

Nadat wij onze meegebrachte fles rum te voorschijn halen en wat bekers inschenken, komen de (sterke) verhalen los. Zo vertelt Otto een bizar verhaal over 3 Poolse parachutisten die enkele jaren geleden vanaf de top van de watervallen de ultieme ‘skydive’ wilden maken.  Nadat ze zich illegaal hadden laten afzetten door een helikopter, maakten ze de sprong langs de waterval. Echter door de kracht van de omlaag stortende watermassa ontstaat er een zuigende wind in de richting van de bergwand.  Een van de Polen raakte de bergwand en verloor vervolgens de controle, hetgeen fataal afliep. De twee compagnons hebben zich vervolgens zo snel mogelijk uit de voeten gemaakt en het land verlaten om niet gearresteerd te worden. Vanuit Polen hebben ze pas na een week de autoriteiten in Venezuela ingelicht. Na een zoektocht van twee dagen is het slachtoffer gevonden. Het in staat van ontbinding verkerende lijk bleek al grotendeels opgevreten te zijn door de gieren. In een slaapzak zijn de resten afgevoerd en opgestuurd naar Polen. Na nog wat sterke verhalen over en weer zijn we in de hangmat gekropen.

De reis gaat weer per boot terug naar Canaïma. Door de koele morgenwind en het opspattende water is de gevoelstemperatuur niet hoger dan 10 graden. We blijven, afwijkend van het normale programma, een dag plakken in Canaïma. Dit mooie dorp is de moeite waard om beter te verkennen. ‘Onze’ Cessna vertrekt weer richting Ciudad Bolivar. We nemen afscheid van de de niet vrolijke Australier en dito Amerikaan die al een halve dag zitten te wachten op hun toestel richting de grens met Brazilie. Niemand blijkt te weten wanneer en of hun toestel überhaupt komt.

Samen met een andere passagier, een lokale indiaan, kruipen we in het kleine vliegtuig en nemen plaats in de gammele zittingen. De piloot, die volgens onze schatting de pensioengerechtigde leeftijd al gepasseerd is, stuurt met veel horten en stoten de kist het luchtruim in. Met drukke handgebaren steekt hij zijn verhaal af tegen de indiaan die naast hem zit. Zijn hoofd is meer bij zijn ‘Angelwaterval’ van woorden dan bij het besturen van het vliegtuigje en ondertussen vallen we van de ene in de andere turbulentie. We schudden alle kanten op, maken weer een vrije val en onze magen en wijzelf krijgen een ‘unheimliches gefühl’. We zitten ons ondertussen af te vragen hoe deze opa ooit zijn vliegbevret heeft gehaald, een schriftelijke cursus misschien? Na 20 minuten kermisattractie zet hij met een krappe bocht de landing in en zien we de boomtoppen vlak onder ons langs scheren. De landing verdient absoluut geen schoonheidsprijs, al stuiterend en schuddend zet hij de kist scheef op de grond. Het gierende geluid van de banden schijnt normaal te zijn gelet op de gezichtsuitdrukking van onze ‘piloot’. Het wordt ons gelijk duidelijk waar de term ‘brokkenpiloot’ vandaan komt. Wonder boven worden  weet hij het gevaarte tot stilstand te krijgen en nog nooit zijn we zo blij geweest uit te mogen stappen en de vaste grond onder onze voeten te voelen. Als wij ondertussen wachten op ons vervoer naar de stad, keert de hij het vliegtuigje, om weer terug te keren naar Canaïma.

Een indianengezin maakt zich ondertussen gereed om de vlucht (in ‘ons’ vliegtuig) richting het binnenland te maken. Omdat niet alle personen onder de normale omstandigheden in het vliegtuigje passen worden twee zittingen uit het toestel gehaald en omgekeerd teruggeplaatst. Op deze wijze passen er in plaats van zes, ook negen personen (waarvan drie kleine kinderen) in. De kinderen worden op schoot van moeder gestapeld en ook de anderen nemen plaats. Een half uur lang blijven ze zo opeengehoopt zitten voordat opa met een extra lange aanloop (vanwege het hoge gewicht) het luchtruim kiest. Wij wensen deze mensen ondertussen erg veel sterkte. Tijdens het wachten bewonderen we nog even de andere toestellen die op het vliegveldje van La Paragua geparkeerd staan. Het zijn oude dubbeldekkers die een mooie aanwinst zouden zijn voor een luchtvaartmuseum.

Vanuit Ciudad Bolivar, de stad aan de Orinocorivier, bereiden we ons voor op de tocht die komen gaat: via het binnenland van Venezuela trekken we naar het zuiden om ter hoogte van Santa Elena de Uairén de grens met Brazilie te passeren. Het deel vanaf El Dorado tot aan de grens, 320 km, is tamelijk dunbevolkt. Voor het deel dat volgt tot aan Boa Vista in Brazilie (230 km) geldt hetzelfde en zo ook het deel van Boa Vista tot aan de bewoonde wereld van Guyana (600 km). Ciudad Bolivar is naast Boa Vista de enige stad van betekenis zodat we hier onze inkopen doen voor de tocht naar het binnenland. Zo schaffen we onder andere een sterk plastic zeil met scheerlijnen aan als bescherming tegen de regen. Hieronder kun we onze hangmatten ophangen en onze prak koken.

Ondanks dat Venezuela voor Zuid Amerikaanse begrippen een welvarend land is, komt ook hier veel armoede voor. Het verhoogde aantal winkeldiefstallen wordt bestreden met extra bewaking. Elk bedrijf doet dit weer op haar eigen manier. Hier in Ciudad Bolivar zijn de magneetstrippen nog niet uitgevonden. Zodoende is er in de warenhuizen gekozen voor een bataljon winkeldames dat minimaal even groot is als het gemiddelde aantal bezoekers om de laatsten op proletarisch winkelen te controleren. Dit betekent voor de klant die de betreffende winkel binnenloopt, dat deze gelijk een dame in zijn of haar kielzog heeft om te checken of  aankopen wel netjes in het daarvoor bestemde mandje geplaatst worden. Wij Nederlanders kunnen hier kennelijk minder goed tegen dan de gemiddelde Venezolaan. Ronnie maakt er daarom een spel van door te testen hoe lang ze deze ‘achtervolgingswaanzin’ vol kunnen houden. Door rondjes te lopen om hetzelfde schap kun je het uithoudingsvermogen van deze volhardende dames op de proef stellen. In de meeste gevallen geven ze er na vier rondjes de brui aan en blijven ze verveeld tegen een een of ander  rek aangeleund staan toekijken.

In het volgende relaas zullen we verslag doen over de aanvang van het spannendste deel van onze fietstocht tot nog toe: El Dorado in het binnenland van Venezuela.
back

Reisverslag 10

Dat onze reis vanaf El Dorado spannend zal worden heeft puur te maken met het feit dat we te maken krijgen met grote afstanden door onbewoond en ongerept gebied. Ons startpunt is El Dorado. De weinige reizigers die het binnenland van Venezuela doorsteken naar de zuidelijk gelegen grens met Brazilie nemen meestal niet de moeite om uit te stappen bij het goudzoekersdorp El Dorado. In de geschiedenis zijn veel expedities gedaan om het ‘El Dorado’, het land van goud. Volgens vertellingen zouden daar enorme hoeveelheden goud te vinden zijn. Er werd daarnaast ook gesproken over het legendarische meer van Parima waar de stranden van goudstof zouden zijn. De expedities van de vroegere ontdekkingsreizigers hebben vele slachtoffers gekend door ziekten als gele koorts, malaria en scheurbuik. Sommige expedities zijn nooit terug gekomen omdat ze simpelweg verdwaald zijn in de immense regenwouden. El Dorado is ook interessant vanwege het feit dat de boeiende Franse schrijver Henri Charrière, beter bekend als ‘Papillon’, er een deel van zijn leven heeft doorgebracht. Het boek Banco doet hierover verslag. Maar goed, volgens ons reishandboek moeten we niet meer dan een stoffig herriedorp verwachten. En inderdaad, deze omschrijving blijkt niet onterecht. El Dorado is een klein dorp aan de oevers van de rivier Cuyuni. Aan de andere kant van de rivier staat de gevangenis waar Papillon ooit vertoeft heeft. Dit gebouw biedt nu onderdak voor de ‘zware gevallen’ van Venezuela.

Ons eerste doel is een onderkomen te vinden voor de komende nacht. In het dorp zijn diverse hotelletjes te vinden. Ze hebben allemaal gemeen dat ze nauwelijks een cent kosten maar dan mag je niet veel verwachten. We hebben enkele gebouwen van binnen gezien, maar de kamers bleken zo smerig dat je blij bent weer buiten te zijn. We zijn inmiddels heel wat gewend, maar de ranzigheid van deze hotels slaan werkelijk alles. Uiteindelijk nemen we ons intrek in het ‘minst smerige’ hotel met de originele naam ‘El Dorado’. Voor 3 Euro hebben we een kamer met zelfs een eigen badkamer. Echter geen stromend water, een met water gevulde ton biedt oplossing. Maar één ding is duidelijk, dit troebele water wil je liever niet aanraken tenzij je van plan bent eens wat nieuwe ziektes uit te proberen. We kopen bij de chinees op de hoek een vatje drinkwater en zo is het ‘waterprobleem’ ook weer opgelost. De restaurants en café’s van dit stadje zijn allemaal voorzien van enkele grote speakers die voluit staan alsof er een wedstrijd gaande is wie de meeste herrie produceert. Je kunt elkaar niet eens verstaan, laat staan wat bestellen. Dit is het oord van de goudzoekers, en zij vinden de herrie kennelijk fijn en genieten op deze wijze extra, terwijl ze hun hardverdiende centen omzetten in drank. Enkele honderden meters verwijderd van het marktplein wordt het wat rustiger en vinden we een klein restaurantje waar een oude vrouw ons rijst met kip serveert in haar eetzaaltje wat tegelijkertijd haar woonkamer is. Terwijl we het gerecht voorgeschoteld krijgen komt er een goudzoeker bij ons zitten. Hij is in de praatstemming wat waarschijnlijk verklaard wordt door de alcoholkegel die hij met zich meedraagt. Hij is een indiaan afkomstig uit het binnenland van Guyana en spreekt daardoor engels. Hij is erg trots dat hij engels kan, zo lukt het hem namelijk een conversatie met buitenlanders aan te knopen waar hij erg veel genoegen in schijnt te scheppen. Hij bestelt een fles bier voor ons en zichzelf en vertelt dat hij een duiker is. Dit komt er op neer dat hij, voorzien van een luchtslang, de hele dag onder water werkt en met en slang het gouderts wegzuigt naar de oppervlakte. Ter illustratie laat hij ons een goudklompje zien dat hij zorgvuldig in een opgevouwen schriftblad bewaart.  Hij vertelt wat over zijn vrouw en kinderen. Na deze conversatie waarbij zijn antwoorden volstrekt afwijken van onze vragen (bijvoorbeeld: ‘ben je getrouwd?’,  antw: ‘nee, mijn vrouw spreekt geen engels’), gaat hij weer naar huis. Hij is zeker van plan ons morgen weer te zien en is blij dat hij er twee vrienden bij heeft. Wij kunnen weer even ongestoord onze prak nuttigen en bedanken hem voor z’n biertje die we uiteindelijk zelf betalen.

We blijven een dag in El Dorado vanwege het feit dat we een goudmijn van binnen willen zien. Zo’n 10 km vanaf het dorp bespeuren we een heuze camping aan de rivier, temidden van ongerepte jungle. Nadat we daar informeren, besluiten we ons hele hebben en houden hier naar toe te halen en onze tent hier op te zetten. Met veel plezier nemen we afscheid van het smerige hotel. De primitieve camping wordt gerund door de Zwitser Bruno die een jaar of 50 zal zijn. We zetten onze tent op en nemen een bad in de rivier vanaf het aangrenzende strandje. Het drinkwater verkrijgen we uit de rivier. We praten wat met Bruno. ‘Het is erg veilig hier’, zegt Bruno. Er komt hier geen ongewenst bezoek. ‘De mensen in het dorp kennen mij en durven zich niet te vertonen op mijn landgoed’. ‘In de buurt wordt er veel geroofd, maar mij laten ze altijd met rust’, gaat hij verder. Even later als hij wat foto’s laat zien, blijkt ook waarom. Een van de foto’s laat zien hoe een kalkoen, een ara en een jonge jaguar tegelijkertijd uit een voederbak eten. De ara’s leven nog maar de jaguar is door een jager uit het dorp afgeschoten om zijn vacht. Bruno vertelt dat de jager zich op zijn terrein bevond, en vervolgt: ‘ Was er mit meinem jaguar gemacht hat, habe ich auch mit ihm gemacht’.  Hij vertelt dat net als de jaguar ook de jager nu diep onder de zoden ligt. ‘Daarom zijn de mensen in het dorp bang voor me, en hoeven mijn gasten niet te vrezen’, zegt hij. ‘De militairen die bij de bewaking van de gevangenis betrokken zijn, komen vaak wat drinken hier’, vertelt hij verder. Soms komen ze ook hier ook om hun verhaal kwijt te kunnen als er weer een gevangene zelfmoord heeft gepleegd.

Een hulp van Bruno legt ons uit hoe we in een goudzoekerskamp kunnen komen, 25 kilometer verderop. Hij zegt er nog even bij dat het gevaarlijk kan zijn ondereweg vanwege overvallers. ‘Dit betreffen geen goudzoekers, maar mensen van buitenaf’, zo zegt hij. Weer anderen hadden ons gewaarschuwd voor de zware criminelen die in de gevangenis opgesloten zitten ‘en er dus zeker ook ontsnapte gevangenen in het gebied rondlopen’. We laten ons niet te veel afleiden door deze opbeurende verhalen en besluiten het kamp op te zoeken. Een rode laterietweg met veel kuilen leidt ons diep de jungle in. Uiteindelijk komen we in het kamp aan. Het bestaat uit enkele houten huisjes langs de hoofdweg en verder uit goudputten.

Als we bij een van de putten een kijkje nemen, vraagt een van de mannen ons of we zin hebben om af te dalen. Ronnie hapt toe, maar als hij in het metalen stoeltje gaat zitten dat onderdeel uitmaakt van een primitieve lift, weet hij niet of hij er verstandig aan doet. Een gapend gat van anderhalf bij anderhalve meter gaat zo’n 40 meter de diepte in. De metalen kabel wordt elektrisch afgerold en zo zakt hij de diepte van de goudmijn in. Als je nog geen claustrofobie hebt, dan zou je het hier wel krijgen. Dan blijft hij een halve meter boven de bodem stil hangen. Het is erg donker beneden en alleen een lichtstraaltje van boven maakt duidelijk dat Ronnie zich vlak boven het water bevindt. De wanden zijn met planken betimmerd zodat deze niet instorten. Kortom van goud is weinig te zien. Onderin het gat zie je nog gouderts, maar met het blote oog is er op deze diepte niet veel meer te zien dan stukken grijze rots. De bediener van de kabel heeft nog geen plons gehoord, dus laat hij Ronnie nog een stukje verder zakken. Tot aan zijn middel plonst hij in het water. Gertrude laat dit avontuurtje maar aan zich voorbij gaan. We bedanken de heren en gaan weer door het woud richting onze tent, geen ontsnapte criminelen gezien onderweg.

’s Avonds drinken we met Bruno en zijn Venezolaanse vrouw een ‘Polar’, het Venezolaanse bier. Bruno heeft jaren als huurling gediend en uiteindelijk is hij commandant geworden in het Venezolaanse leger. hij laat trots zijn metalen naamplaatje zien. Een kogel van een scherpschutter heeft dit plaatje doorboord tijdens opstanden in de hoofdstad. Met een stoer gezicht laat hij nog wat littekens zien van kogels in borstkas en benen. Hij lijkt wel een tweede Papillon met zijn verhalen. Bruno moet overigens niets van Papillon hebben, ‘Papillon heeft alles verzonnen’, zegt hij verwijzend naar de situatiebeschrijvingen volgens het boek die zouden afwijken van de werkelijkheid.

De volgende morgen drinken we nog een kop sterke koffie met Bruno en zijn vrouw en nemen afscheid. De tamme ara’s in de boom naast het huis beginnen ondertussen als bezetenen te schreeuwen als er drie wilde ara’s in hun sierlijke vlucht overkomen.

De weg naar de grens met Brazilie is van goede kwaliteit asfalt. De weg leidt door tropisch regenwoud en er is weinig verkeer te bekennen. We komen langs kleine indianennederzettingen waar men nog hutten met daken van palmbladeren leeft en bereiken zo Santa Lucia (‘kilometer 85’ in de volksmond naar de kilometerpalen). Via via ontmoeten we Jerry die een camping zegt te hebben. We komen in een gemeenschap van Pemon indianen. Achter zijn bescheiden huisje wijst Jerry aan waar we in het gras (zijn camping) onze tent op kunnen zetten. We hebben een mooie plek onder de schaduw van een mangoboom. Een hutje vlakbij met een gat in de bodem is het toilet, en ‘douchen’ doe je in het kleine beekje 100 meter verderop. Ook het drinkwater wordt verkregen vanuit dit riviertje en verder doen de indiaanse vrouwen hier topless hun was. Enkele jochies springen vanaf een ruim 4 meter hoge boomtak in het 80 centimeter diepe riviertje, zonder hun botten te breken overigens. Jerry is een zoon van een Guyanese chinees en een Pemon-indiaanse. Jerry heeft zelf een  indiaanse vrouw met wie hij 4 kinderen heeft. Omdat hij ervaring heeft met toerisme vindt hij het leuk om buitenlandse gasten te ontvangen. Verder houdt Jerry zich als duiker bezig met goudzoeken. De indianen in het dorp zijn tamelijk schuchter en blijven op afstand van ons, alleen de kinderen kunnen hun nieuwsgierigheid niet onderdrukken en komen om onze tent zitten. Jerry is erg gastvrij en vraagt of wij bij hem thuis komen eten. Dit slaan we niet af, we eten cassavebrood met een soort kippensoep en peper (niet te veel). We hebben leuke gesprekken en komen veel te weten over zijn familie en dorp.  Jerry’s vader woont in Guyana in het grensdorp met Brazilie, Lethem. Hij laat wat foto’s zien van vroeger en van zijn bezoek aan zijn vader die hij al in jaren niet gezien heeft. Omdat wij, via Brazilie, Lethem binnen zullen komen, bieden we Jerry aan om een een brief voor hem bij zijn vader af te leveren. Dat vindt hij een goed idee en hij begint gelijk een brief op te stellen.

In het volgende verslag gaan we in op de beklimming van de Gran Sabana in Venezuela en hoe we Brazilië binnen komen.
back

Reisverslag 11
(km 85 – Boa Vista)

We verlaten het dorp ‘kilometer 85’ om na een kilometer of 10 te beginnen aan de verschrikkelijke klim van de Gran Sabana. ‘Neem een bus of pick up, maar ga niet fietsen’, was ons meerdere malen geadviseerd. De 40 kilometer zou ons helemaal uitputten, was ons voorspeld. Omdat de gemiddelde hoogte van deze hoogvlakte, ter grootte van Nederland, ergens in de buurt van de 1500 meter ligt en wij ruim boven zeeniveau zullen starten, hebben we er vertrouwen in. De goedbedoelde adviezen hebben we weer eens in de wind geslagen. De eerste 10 kilometers zijn pittig, maar we hebben de tijd en de stijlste stukken zijn inmiddels gepasseerd. Af en toe stoppen we om of even bij te komen en wat te eten of om een groep grijze capucijnapen te bekijken waarvan enkelen ons met schreeuwen en het schudden aan takken proberen weg te jagen. Ook twee rotshaantjes, vogels ter grootte van een duif, alleen fel oranje en met een grote kuif, laten zich even door ons bewonderen. Na 25 kilometer klimmen zijn er zelfs enkele afdalingen in het traject en ook de laatste 15 kilometer zijn redelijk goed te doen. Al met al een flinke inspanning, maar we hebben voor hetere vuren gestaan.

Onderweg passeren we een militaire post. De dienstdoende wachter laat ons stoppen, niet om ons paspoort te tonen, maar gewoon even belangstelling tonen. Hij wijst vervolgens naar de hoogspanningskabels die net als ons naar Brazilië gaan. ‘Ons land voorziet een groot gebied van Brazilië van stroom’ zegt hij met veel trots en op zo’n manier dat hij ermee aan wil geven dat Brazilië afhankelijk is van Venezuela. Hij vraagt of we wat willen eten en dirigeert ons naar de kazerne. Eigenlijk hebben we niet zoveel trek, maar de militair geeft aan dat we de komende 200 kilometer geen eetgelegenheid meer zullen aantreffen. We gaan aan tafel zitten en er wordt ons een bord rijst met vis en gebakken bananen voorgeschoteld. Ook een koud glas vruchtensap wordt tevoorschijn getoverd. Na een kwartier vervolgen we onze tocht en nemen afscheid van deze gastvrije militair. Uiteindelijk bereiken we ‘de top’ en tegelijkertijd de rand van de Gran Sabana en verandert de omgeving abrupt van tropisch regenwoud in savanne. Het gebied is glooiend, bestaat uit grasland, veel rivieren en af en toe een klein bos. Verder wonen er in dit gebied nog enkele indianenstammen. Het ziet er nogal desolaat uit, maar de stilte is absoluut indrukwekkend. Je hoort alleen het ruizen van de wind.

Als onze teller inmiddels de dagafstand van 100 kilometer is gepasseerd, zien we een bord dat verwijst naar een camping. We volgen het bord richting een indianendorpje, San Juan de Camoiran,  met 25 stenen huizen met golfplaten dakken. Je zou het een indiaanse nieuwbouwwijk kunnen noemen. Twee jongens op crossfietsen leiden ons via een geitenpad naar een kilometers verderop gelegen veldje. Als we dit geweten hadden... Het is nu eenmaal niet zo’n succes om dit soort afstanden door het mulle zand af te leggen. Maar goed, we hebben ook geen zin om terug te keren. Het plekje dat ze ons wijzen heeft een mooie verrassing: een kraakhelder riviertje valt middels een mooie waterval in een 10 meter lager gelegen rivier. Inmiddels helpen de indianenjongens ons met het ‘bouwen van het kamp’, dat wil zeggen: tent opzetten, hout sprokkelen voor het kampvuur en het maken van een afdak van het plastic zeil omdat er een flinke hoosbui aan gaat komen. Tenminste, de donkere zwarte wolken in de verte doen ons dit vermoeden. Ronnie geeft de fietskettingen van de jongens ondertussen een oliebeurt om het kraken en de roestvorming wat tegen te gaan.

De jongens vertrekken weer richting het dorpje en wij zijn helemaal alleen. Kilometersver kun je kijken over het mooie landschap van de Gran Sabana met zijn tafelbergen in de horizon. Geen pottenkijkers, dus hier kun je ongestoord in je nakie een frisse douche nemen onder de waterval. Als we ons lekker opgefrist hebben en ons hebben aangekleed en deels ingesmeerd hebben tegen de agressieve ‘puri puri’ (een irritant steekvliegje waarvan de steken nog dagenlang blijven jeuken), breekt het onweer los en worden de hemelpoorten geopend. Het stortregent flink, maar... ons plasticen afdak biedt bescherming zodat we ongestoord onze spaghetti kunnen koken. Het kampvuur blijkt groot en heet genoeg om niet uit te regenen. De volgende morgen zijn we rond de klok van 6 bezig met het kamp op te breken. De jongens zijn ook al snel present en leiden ons via een ander geitenpad, enkele riviertjes overstekend, naar het asfalt. We betalen ze voor hun bijzondere camping en vervolgen onze reis richting het zuiden.

Diverse prachtige watervallen en andere bezienswaardigheden verder, komen we aan in San Francisco de Yuruani met uitzicht op de Roraima tafelberg. Deze berg is van 40 kilometer afstand al te zien, zei het dat het wolkendek dit vaak belemmert. De berg torent als een taart boven het landschap uit, waarbij de rand van wolken rondom de platte top de slagroom vormt.

Vrij kamperen was ook mogelijk in de buurt van de rivier, maar zelfs de lokale bevolking wordt hier gek van de puri puri, die zich vooral in de nabijheid van het water ophoudt. Het blijkt het ‘puri puri seizoen’ te zijn. We overnachten zodoende in het dorp in een simpel pensionnetje bij een indianenfamilie.

Alleen het voetbalveld in het midden van het dorp wijst op enige activiteit. Voor de rest is er helemaal niets, je ziet ook geen vormen van landbouw of veeteelt. Behalve een enkel souvenirstalletje ten behoeve van de verdwaalde tourist, kun je nauwelijks iets kopen. We vragen ons af hoe dit volkje zich zelf in stand weet te houden. Kennelijk kunnen ze met zeer beperkte middelen overleven. Gelukkig hebben wij voldoende etenswaren meegenomen, zodat we ’s avonds voor de verandering eens rijst met kip eten. (Alleen de kip hebben we ter plaatse kunnen kopen)

De tocht gaat verder naar de grensplaats met Brazilië: Santa Elena de Uairén. Dit stadje heeft op zich niet veel te bieden, behalve dat je hier weer wat voorraad in kunt slaan. 10 kilometer verder is de grens met Brazilië. We krijgen ons Braziliaanse stempel en worden nog even ter verantwoording geroepen omdat Nederland niet vertegenwoordigd was in de ‘Copa Mundial’. We waren het al bijna weer vergeten, maar in Brazilië is voetbal sport nummer 1. Voor het eerst wordt ons bij de ‘medische controlepost’ verzocht om aan te tonen dat we tegen gele koorts zijn gevaccineerd. Dit lukt, onze stempel dateert uit 1994 en is nog anderhalf jaar geldig. We mogen verder en voorkomen zo dat we ter plaatse een spuit ingejenst krijgen.

De 20 kilometer lange afdaling maakt de lange klim van enkele dagen geleden weer goed. Weer tropisch regenwoud en veel indianenhutten, zei het dat deze er gelijk een stuk primitiever uit zien dan die in Venezuela. Je kunt merken dat Brazilië weer een arm land is.

Als je op de landkaart kijkt zie je de weg van Santa Elena die naar Boa Vista leidt. Een rechtstreekse verbinding overland tussen Venezuela en Guyana bestaat niet, zodat deze omweg van minstens 1000 kilometer onze enige oplossing is. We waren altijd in de veronderstelling dat de weg naar Boa Vista dwars door tropisch regenwoud zou leiden. Dit blijkt een behoorlijke misvatting. Na de afdaling verandert het landschap abrupt in savanne. Dit is op zich niet zo erg, maar het grootste probleem wordt de ondraaglijke hitte. Het is echt bloedheet en de hitte beneemt je soms de adem. Er zijn geen schaduwrijke plaatsen tegen de zon en er is weinig water te vinden. Enkele malen vinden we een bijna opgedroogd meertje waar we onszelf in onderdompelen om af te koelen. Behalve gieren en roofvogels is er verder weinig teken van leven te zien. De eerste dag bereiken we een klein dorpje genaamd Très Corações, drie harten. Ongelooflijk dat er mensen wonen in dit niemandsland. Langs de kant van de weg is een kleine eetgelegenheid, waar we een Braziliaanse pastij en wat cola drinken. Spaans en Braziliaans Portugees lijken in de verste verte niet op elkaar zodat we te maken hebben met een taalprobleem. Enkele woorden zijn nog blijven hangen uit 1994 toen we Brazilië voor het eerst van het noorden naar het zuiden doorgereisd hebben. Echter blijkt het onvoldoende te zijn om onszelf verstaanbaar te maken, laat staan de antwoorden te verstaan.

Een man leidt ons op zijn fiets naar een afdak waaronder een ploeg staat. Hier mogen we camperen begrijpen we, er is voldoende ruimte om onze hangmatten te bevestigen. Het afdak staat naast een klein houten huisje waar een gezin woont. We mogen de douche en toilet van het aan de andere kant gelegen gebouw gebruiken. Twee dames zijn zo geïntrigeerd door onze komst dat ze hun stoelen buiten zetten en vlak bij ons gaan zitten om te aanschouwen hoe wij onze hangmatten installeren. Ondertussen krijgen we koude watermeloen voorgeschoteld en met handen en voeten voeren we een conversatie. Erg aardig volkje die Brazilianen. Met een windmolen wordt water omhoog gepompt dat we gebruiken om onze drinkvoorraad weer aan te vullen. De volgende morgen vertrekken we weer vroeg. Even buiten het dorp worden we nog afgeleid door een reuzenmiereneter die door het dorre gras scharrelt.

Ondanks dat we om 6:30 uur op de fietsen zitten, is het binnen afzienbare tijd weer ontzettend heet. Het lukt ons desondanks toch deze dag 130 kilometer af te leggen en Boa Vista te bereiken. Bij een uitspanningsgelegenheid kunnen we kamperen bij een mooie rivier. De beheerder vindt het een beter idee dat we onze hangmatten onder het afdak hangen van het cafégedeelte. Het is er goed vertoeven en dat op loopafstand van de rivier bij een mooi strand. Brazilianen zijn gek van stranden en kennelijk zijn wij verzeild geraakt bij een populair stukje van dit gele zand.  Tegen een uur of twee ’s nachts is het plotseling een gigantische herrie vlak naast ons. Een pick up met drie jongens, een disco-installatie en volle koelbox heeft uitgerekend deze plaats uitgezocht om midden in de nacht op een doordeweekse nacht te gaan feesten. Daar wordt je niet vrolijk van als je probeert te maffen. Op ons verzoek wordt het volume wat getemperd tot een nauwelijks ‘slaapbaar’ volume. Even later parkeren ze de auto verder op en gaan tot een uur of zeven door de volgende morgen. Leve de oordoppen!

We zetten onze tocht voort in de richting van Guyana. Na vele aanmoedigingen van enkele inwoners van Boa Vista kruisen we de ruim twee kilometer brede rivier Rio Branco. De rit is ongeveer 145 kilometer, maar de harde tegenwind zorgt ervoor dat we er twee dagen voor uit moeten trekken. In ons volgende verslag schrijven we hoe we aankomen aan het einde van de wereld: Guyana.
back

Verslag 12 (Boa Vista - Annai)

Guyana is ons volgende doel en we hebben nog 140 km te gaan. Ook op dit traject is het savanne met af en toe een boom. Het is weer verschrikkelijk heet. De zon brandt er flink op los en de hete wind brengt weinig verkoeling. Veel drinken is erg belangrijk. Het gebied is in eigendom van enkele facienda’s, dit zijn boerenbedrijven met stukken land ter grootte van de provincie Drenthe. Af en toe gaat er een zandweg vanaf de hoofdweg naar zo’n boerderij. Soms moet er bijna 20 kilometer afgelegd worden om het bedrijf via deze lange ‘oprit’ te bereiken. Er is verder weinig te merken van enige agrarische activiteit. Sporadisch zie je een kleine kudde koeien, maar dan houdt het ook op. Het is een groot dor landschap.

Na uren gefietst te hebben zien we een klein meer. Dit is voor ons een van de belangrijke punten: drinkwater aanvullen en afkoelen. Helaas ligt het gebied op het erf van een boerderij. Via het hek lopen we richting het huis met de vraag of we even van het meer gebruik mogen maken. We nemen een verfrissend bad in het heldere water en vullen de bidons weer bij. Halverwege de middag zien we langs de kant van de weg een huis met aangebouwd winkeltje. We drinken wat koude cola’s. Een rieten afdak aan de overkant van de weg mogen we gebruiken om te overnachten. We knopen onze hangmatten maar weer eens op en van de planken die er liggen fabriceren we een tafel en een bankje. Niet op blote voeten lopen hier, want er kruipen twee schorpioenen weg tussen het overige hout. We mogen gebruik maken van een primitieve douche die speciaal voor langskomende reizigers is geïnstalleerd.

De schuur naast ons afdakje blijkt een heuze kerk te zijn. De overbuurjongen pingelt wat op een electrische gitaar en Ronnie vergezelt hem om even mee te ‘jammen’. Op de vraag of de enorme versterker die in de hoek staat werkt, wordt een ontkennend antwoord gegeven: de aggregaat is nog niet in werking. Enkele uren later is rond 6 uur de duisternis ingetreden en komt een vrouwelijke predikant alvast wat liedjes inzingen onder begeleiding van de gitarist. De aggregaat is in werking zodat er ook licht is. De eerste kerkgangers komen en nemen plaats op de banken. Het publiek bestaat uit indianen uit de buurt. Waar ze vandaan komen is ons nog steeds niet duidelijk, want we hebben nauwelijks een huis of hut gezien onderweg. Een gezin op 1 fiets komt vanaf de hoger gelegen weg omlaag gereden. De remmen werken blijkbaar niet, zodat de vader een rondje moet maken om uit te vieren. Tijdens de dienst geeft een vrouw haar kind de borst. De luiken van de schuur staan wijd open zodat wij alles kunnen volgen en de kerkgangers zich kunnen vergapen aan twee blanken die onder een rieten afdak zitten te koken. We krijgen het idee dat wij meer aandacht krijgen dan de predikante, dit kan ook te maken hebben met het feit dat ze erg vals zingt en het gitaarwerk ook niet is om over naar huis te schrijven. De dienst wordt een marathonsessie, het gaat meerdere uren in beslag nemen. Een indianenjongen komt naar buiten om zijn blaas te legen om de hoek van het gebouw. Later komen ook anderen even naar buiten voor een frisse neus om even later weer terug te keren naar de bevlogen predikante.

We komen aan in het Braziliaanse Bonfim, de grensplaats met Guyana. We besteden onze laatste Reais aan een bord rijst met een schnitzel, terwijl we wachten op de beambte die ons paspoort van een uit-stempel moet voorzien. Deze krijgen we en, nadat we met een pont de rivier zijn overgestoken, komen we via een stoffige weg in Lethem. Hier moeten we op zoek naar een in-stempel. Volgens onze informatie moeten we deze bij het vliegveld halen. Het gebouw blijkt echter gesloten zodat we verder zoeken. Lethem is een klein dorpje waarbij de huizen en enkele winkels verspreid liggen over een groot stuk savanne. Door deze savanne loopt een wirwar van zandwegen en sporen, zodat je het idee krijgt dat elke inwoner zijn eigen weg heeft gemaakt. Een meisje weet ons te vertellen waar we de immigratie kunnen vinden en ze loopt met ons mee. Drie negers in korte broek en bloot bovenlijf blijken de beambten te zijn die de immigratie vormen. De meest informele  grenspost die we ooit in ons leven gezien hebben. Een van de heren is druk bezig een bord rijst te verorberen en laat ondertussen een boer, een harde. We maken een babbel en ondertussen vult de junior een formuliertje in en krijgen we de begeerde stempel.

We zijn nu dus legaal in Guyana, het land dat ooit eens Nederlands grondgebied is geweest ergens begin 17e eeuw. Over de Nederlandse invloeden die nog steeds terug te vinden zijn in dit land, komen we later nog terug.

We gaan op zoek naar de heer Dick Ng-a-Fook (spreek uit: Nekafoek), deze Chinees is de vader is van Jerry bij wie we in Venezuela overnacht hebben. Via de kruidenier krijgen we aanwijzingen en komen we uit bij een huis aan een rivier waar hij zou moeten wonen. Het blijkt de verkeerde te zijn, een vriendelijke man verwijst ons naar een huis 100 meter verderop. Bij dit huis worden we verwelkomd door drie blaffende honden. De honden blijken van het even-stampen-en-weg-zijn-ze-ras te zijn. Een vrouw in de deuropening verwijst ons naar een hangmat onder een boom. En inderdaad, daar ligt de oude Chinees een middagdutje te doen. We willen hem niet wakker maken, maar inmiddels is hij al overeind gekomen. We vertellen hem wie we zijn en wat we doen. Dan overhandigen we hem de brief van zijn zoon. Even moet hij nadenken over wie we het in hemelsnaam hebben, maar dan begint hem wat te dagen. ‘Johnnie’ zegt hij, ‘hoe is het met hem?’. ‘Nee’, zeggen we, ‘we bedoelen Jerry’. Het dringt eindelijk tot hem door over wie we het hebben. Het is geen dementie, deze man blijkt gewoon erg veel kinderen te hebben, die ook nog eens over meerdere landen verspreid zitten zodat hij ze zelden ziet. We overhandigen hem de brief en hij is een beetje ontroerd. Even lijkt het erop of we voor het programma ‘Spoorloos’ aan het werk zijn. De Chinees heeft drie jongens op bezoek die vanuit Georgetown een 20 uur lange rit met een terreinwagen achter de rug hebben en hun tenten opgezet hebben op het ruime terrein van de man. ‘Mister Dick’, zoals de jongens de Chinees noemen, vraagt ons hoe wij gaan overnachten en even later staat onze tent er ook naast. Als ze horen dat we uit Nederland komen drukken de jongens ons als eerste een fles Heineken in de handen die ze uit de koelbox hebben opgediept.

90 % van de Guyanese restaurantjes is Chinees. Verderop is ook zo’n restaurantje waar we een chow min scoren, bami dus. De betreffende Chinees is nog niet zo lang in Guyana, hij spreekt nauwelijks Engels. Zijn restaurant heeft een kantine-achtige aanblik, maar de versiering van felrood neonlicht aan de buitenkant maakt ‘t nog gezellig ook.  Op de veranda staat een tv waarop een westernfilm met Clint Eastwood te zien is. Een hele club dorpsbewoners zit gespannen om de buis gekluisterd.  Als we weer weg gaan valt ‘t ons op dat het decor van de film weinig afwijkt van de ambiance van het dorp Lethem.

De jongens uit Georgetown vertrekken alweer vroeg richting de hoofdstad. Hun weekenduitstapje bestaat uit 40 uur rijden en 18 uur op de plaats van bestemming. Ze hebben al vroeg ontbeten en de overgebleven knakworsten en corned beef laten ze voor ons achter  in een plastic bordje. We bedanken ze voor het uitgebreide ontbijt. Even later als we het ontbijt met brood en thee hebben weggewerkt komt de vrouw van mister Dick naar buiten met twee bolletjes gebakken ei. Eigenlijk zijn we al erg vol, maar uit beleefdheid eten we dit er dan ook maar bij op. Mister Dick is rond de 70 en brengt de dag grotendeels in zijn hangmat door. Hij geniet van zijn oude dag en de enige afleiding die hij heeft zijn de zangvogeltjes die hij verkoopt en de oude Engelse Bedford legertrucks die op zijn terrein bivakkeren. Deze komen zwaar bepakt vanuit de stad om Lethem te bevoorraden. De trucks zijn ooit door de Engelse regering geveild en doen, nadat ze gereviseerd zijn, dienst als transport tussen Georgetown en het zuiden.

Met Dick hebben we niet alleen hele gesprekken over zijn geschiedenis en over Guyana in het algemeen, maar nemen we ook onze route door. Hij kent de weg naar de stad op zijn duimpje, hij weet exact na hoeveel kilometer je welke aanknopingspunten hebt en waar we bijvoorbeeld water kunnen vinden. We hebben verder weinig informatie. Onze reisgids zegt alleen dat de weg in bijzonder slechte conditie is en dat je op sommige trajecten een lift moet zien te krijgen van een van de legertrucks, waarvan er maar enkele per dag langs komen. Kortom Dick is een belangrijke bron van informatie, we weten dat de komende 430 kilometer zandweg naar de bewoonde wereld het zwaarste traject worden van onze reis tot nu toe.

De volgende dag zijn we dan zover, de avond ervoor hebben we al afscheid genomen van Dick en hem bedankt voor alle informatie en zijn gastvrijheid. Ook het eerste deel, 120 kilometer, hebben we te maken met savanne. Vanwege de hitte zijn we vroeg gaan fietsen, om 5.30 uur gaan de pedalen weer rond. Dit bevalt erg goed, het is nog lekker koel en na een kilometer of 20 ontbijten we even. Maar tegen een uur of 11 staat de zon alweer hoog genoeg om er flink op los te branden. Vanwege de droogte zien we weinig wildleven. Alleen enkele platgereden lanspuntslangen laten zien dat er hier toch dieren voorkomen. Tegen de middag doemt er in de verte een huisje op in de middle of nowhere. We rijden er naar toe en vragen de eenzame boer of we even in de schaduw van zijn huis mogen rusten en zo even kunnen ontvluchten aan de brandende zon. Hij wijst ons de waterput in het geval we nog water nodig hebben. We blijven er een uur of twee siësta houden. We praten nog even over het boerenleven en de boer klaagt nog over de veedieven die een paar weken geleden koeien van hem gestolen hebben.
Aan het einde van de dag zien we nog enkele jaribu ooievaars. Deze reusachtige vogels met zwarte kop en rode nek hebben een spanwijdte van rond de 3 meter. Ze schrikken van ons en vliegen met een lange aanloop weg. Als zweefvliegtuigen laten zich omhoogvoeren op de thermiek.  We bereiken een nederzetting in de Aranapula vallei, vlak voor het indianendorp Annai. Het is al tegen de avond als we enkele mensen zien staan en vragen waar er een overnachtingsplaats te vinden is. Een echtpaar van in de veertig genaamd Adam en Pamela nodigen ons uit de nacht bij hen thuis door te brengen. Wij stemmen in en Pamela wijst ons de weg naar hun huisje dat we via een geitenpad na anderhalve kilometer bereiken.

In het volgende verslag zullen we verder ingaan op ons verblijf bij Adam en Pamela en de zware tocht door honderden kilometers tropisch regewoud.
back

Reisverslag 13 (Annai - Kurupukari)

We worden uitgenodigd door het echtpaar Adam en Pamela bij wie we de nacht kunnen doorbrengen. Na anderhalve kilometer afgelegd te hebben over een geitenpad, bereiken we het houten huis met palmbladeren bedekking. Ze wonen er samen met opa, hun kinderen en een kleinkind. Een houten verblijf dat iets verderop staat, is het gastenverblijf. De ligging van het erf tegen de rand van een berg is prachtig. Je hoort papegaaien schetteren terwijl er in het woud veel apen voorkomen. Vier tegen elkaar gespijkerde golfplaten vormen de badkamer. Adam is al druk bezig de teil te vullen met water dat hij uit een waterput haalt door middel van een emmer aan een touw. Een vis van een halve meter met het uiterlijk van een steur laat zich vaak aan het oppervlak van de waterspiegel van de waterput zien. Pamela legt uit dat dit gebied nog onderdeel is van de Rupununi savanne. In de regentijd staat alles blank, ook het erf. Vissen komen dan vanuit de rivieren ‘het land op’ om voedsel te zoeken. Als de droge tijd aanbreekt wordt het land weer droog waarbij enkele vissen ingesloten raken in de achteblijvende plassen, zodat je ze zo kunt pakken. De vissen in de waterput houden het water vrij van ongedierte.

Adam werkt mee aan een malariaproject terwijl Pamela voor de kinderen zorgt. Beide zijn ze van indiaanse afkomst. Nadat we ons gedoucht hebben, gaan we koken. Pamela komt ondertussen met pannenkoeken aanlopen en heet water voor thee. Het is ons al eerder opgevallen dat de mensen in dit gebied van Guyana bijzonder gastvij zijn. De avond brengen we al pratend door met deze familie. Uiteraard krijgen we ook weer de vele waarschuwingen voor malaria, slangen, bandieten en ander voorkomend wild. Vooral Georgetown, de hoofdstad van Guyana, krijgt de aandacht. Iedereen waarschuwt ons voor dit ‘rovershol’. Pamela vertelt dat ze erg bang is voor deze stad en er nauwelijks alleen durft rond te lopen. ‘Mijn tas houd ik altijd stevig tegen mijn middel aangeklemd’, zegt ze. We slapen die nacht weer erg goed in onze hangmatten, een frisse wind waait tussen de planken door naar binnen.

Pamela komt ons wederom verrassen met pannenkoeken en thee de volgende morgen. Dit komt aan de ene kant goed uit, want de overgebleven spaghetti van gisteravond die we als ontbijt ingepland hadden, zit vol met mieren. Niets biedt bescherming. Ook de zak met brood die op tafel lag blijkt door een beest aangevreten te zijn. We geven Pamela wat van onze voorraad knoflook, wat hier moeilijk te krijgen is. Zij loopt snel naar haar huisje en komt even later terug met een tas vol mango’s, die ze ons voor de reis meegeeft. Adam bedankt ons ‘dat we hun gast wilden zijn’. Er wordt nog wat over en weer bedankt en we vertrekken om na een kilometer of 15 eindelijk het tropisch regenwoud binnen te komen. Ook hier is de overgang weer abrupt: plotseling is er het eind van de savanne en bevind je je in de schaduw van het woud. Hier hebben we honderden kilometers lang naar uitgekeken. Dit regenwoud is onderdeel van het amazonegebied. Duizenden kilometers ononderbroken tropisch regenwoud, dat geeft wel een bijzonder gevoel. Het woud is zo dicht dat het moeilijk is om dieren te zien. Je hoort wel constant vogels waaronder de de roodgele ara en toucans. Je hoort ze vaker dan dat je ze ziet, zo nu en dan vliegen ze boven de weg in hun elegante vlucht. Dankzij de droge tijd is de weg redelijk goed begaanbaar. De ondergrond is opgedroogd, zodat onze wielen niet vastzuigen in de kleiachtige grond. Af en toe wordt het wegdek onderbroken door meterdiepe sporen van de vierwielaangedreven trucks. Ze zijn vaak te zwaar beladen en wanneer de weg zich na veel regen heeft omgetoverd tot een modderbad, komen ze hopeloos vast te zitten. Met met behulp van een lier trekken ze zichzelf weer los waarbij bomen losgerukt worden en de weg omgeploegd. Met onze bikes zijn wij in het voordeel, af en toe een stuk lopen, maar meestal lukt het redelijk om tussen de sporen door te manouvreren. Soms lopen we wat schrammen op van boomtakken met doornen.

Enkele keren zien we een hert dat de bossen in springt zo gauw het ons signaleert. Verder zie je veel hagedissen, soms tot een meter lang. Een ander veel voorkomend reptiel is de slang. Gertrude ziet dit dier  één keer voor een stuk touw aan. Terwijl ze erover fietst, ziet ze dat het ‘stuk touw’ plotseling beweegt en het bos in kruipt (met waarschijnlijk een dubbele hernia rijker). Niet veel later hebben we weer een afdaling na een lange klim, waarbij onze teller de vijftig passeert. Door onze hoge snelheid merkt een agouti (knaagdier lijkend op een marmot ter grootte van een konijn) ons erg laat op en sprint vlak voor Ronnie’s voorwiel langs het woud in. Wij en het dier komen met de schrik vrij.

Na 70 kilometer regenwoud horen we machines in de verte. Een ploeg mannen is bezig met wegwerkzaamheden. Een shovel trekt met een zandschuif het wegdek weer enigszins glad. We stoppen en vragen hoe ver het is naar de eerstvolgende rivier of kreek waar we kunnen camperen. Ze verwijzen ons naar ‘white water’ 15 mijl verderop. De mannen bieden ons koud water aan uit een koelbox. Het zware traject heeft ons aardig uitgeput, koud water is dan altijd een welkome verrassing.

Terwijl we verder fietsen trekt een penetrante lucht en snurkende geluiden plotseling onze aandacht. Na lang speuren vanaf de weg het donkere woud in, zien we enkele grote wilde zwijnen. Naar het geluid te oordelen zullen het er tientallen zijn.Voorzichtig kijken we toe hoe ze de bodem omwroeten op zoek naar wortels en insecten. Niet te dicht bij komen is het advies bij deze beesten. Ze kunnen agressief zijn en vallen ook mensen aan als ze zich bedreigd voelen. Men adviseert in een boom te klimmen als je belaagd wordt. En dan maar afwachten wie het meeste geduld heeft. Op het moment dat we verder willen gaan signaleert een van de zwijnen ons.  In plaats van aanvallen slaat hij op de vlucht, de kudde volgt. Als een orkaan draaft de kudde diep het bos in.

De 15 mijl naar het ‘white water’ blijken uiteindelijk 25 mijl te worden. Het kreekje is inderdaad mooi helder. ‘Hier gaan we de nacht doorbrengen’, zeggen we tegen elkaar. Omdat het vanwege de schaduw al tegen een uur of vijf donker begint te worden, proberen we zo snel mogelijk een ‘kamp’ te maken. Terwijl Ronnie bezig is wat lianen weg te kappen om ruimte te maken voor de hangmatten, komt er in de verte een neger onze kant op lopen. Hij geeft ons een hand, stelt zich voor en legt uit dat hij samen met zijn collega een kamp heeft 200 meter verderop. Ze werken voor Iwokrama, een instantie voor natuurbehoud die het beheer heeft over een groot stuk regenwoud. Rasta (zijn bijnaam) vraagt gelijk of we bij hen in het kamp willen overnachten. ‘We komen zo’, zeggen we tegen hem, want we willen eerst een duik nemen in de kreek. Na een kwartier arriveren we in hun kamp en maken we ook kennis met de collega, George. Hij heet ons van harte welkom. ‘Feel free’, zegt de rastaman, en wijst ons de pan met rijst, groente en soyabrokken. We eten met ze en al gauw zitten we aan de oploskoffie. Rasta met zijn dreadlocks is al druk bezig het kampvuur te aan te wakkeren. Trots zegt hij dat het al 10 dagen brandt zonder tussentijds uitgedoofd te zijn. Het lijkt ons inderdaad aannemelijk dat het vuur niet snel zal doven, gelet op de boomstammen die hij op het vuur gooit. Het kamp bestaat uit een afdak gemaakt van boomstammen met een zeil als dak. Onze hangmatten passen er nog goed bij. De twee zijn echte natuurmensen. Rasta vertelt ons dat zijn linker ooglid begon te trillen vlak voordat wij arriveerden. ‘We krijgen bezoek’, zo had hij tegen George gezegd. ‘Waarschijnlijk komen er twee personen’, (zijn rechter ooglid begon inmiddels ook trilverschijningen te vertonen). George had ook een teken gekregen. Hij vertelt dat er een vlinder het keukengedeelte van de tent kwam binnenvliegen. Daarna volgde er nog een.

Rasta vertelt dat er gisteren, terwijl ze onderweg waren, een jaguar hun pad kruiste. Even later zagen ze ook een zwarte panter. Wij houden nog steeds hoop dat we dit ook mee maken, maar tot nog toe moeten we het doen met de voetsporen van deze dieren. Voor de duidelijkheid: jaguars zijn in pricipe niet gevaarlijk voor mensen maar juist erg schuw. Als ze een mens zien verdwijnen ze snel het woud in. Alleen als je te dicht in de buurt van de welpen komt, kan een jaguar een gevaar vormen.

De twee rangers verblijven steeds voor enkele weken in het woud voor het uitvoeren van veldwerk. Dit houdt in dat ze de soorten bomen van een afgebakend deel regenwoud in kaart brengen. Ze vragen ons of we zin hebben de volgende dag met hen op pad te gaan. We stemmen in, en de volgende morgen trekken we al vroeg de bush bush in. Rasta trekt eerst een grote muts over zijn dreadlocks. Een opengekapt pad van enkele kilometers leidt naar het perceel dat in kaart moet worden gebracht. Met compas, pvc buizen en lijnen als markeringen, wordt een vak uitgezet ter grootte van een hectare. Wij helpen ze, maar zien wel in dat we weinig kunnen uitvoeren. Ondertussen proberen we wat vogels te ‘spotten’. Meer dan enkele roofvogels (rode caracara’s), een grote rode specht en wat kalkoenachtige vogels zien we niet. Ondertussen vertelt Rasta over zijn geloof als rastafaria: Hij drinkt geen alcohol, eet geen vlees, is zeer vredelievend en heeft op zijn tijd alleen een ‘good smoke’ met marihuana nodig. Heel relaxed vertelt hij vervolgens hoe hij tot zijn geloof kwam door de visioenen die hij had. Wij vragen onszelf af of dit zich misschien afspeelde tijdens zo’n ‘good smoke’. In zijn visioenen werd hij geroepen door de onsterfelijke keizer van Ethiopie, Selassie, de ‘leider’ van de rasta’s. Na deze visioenen werd hij een rastaman en ging zich als zodanig kleden en gedragen. Zijn vader kon hier weinig waardering voor opbrengen en zette hem het huis uit op jonge leeftijd. Hij vervolgt dat hij op zijn 16e voor het eerst vader werd en er daarna nog vijf kinderen volgden (verdeeld over twee vrouwen).  Tegen een uur of twee keren we terug uit het bos, het uitzetten van de buizen begon wat eentonig te worden en we zijn blij weer wat zonlicht te zien als we op de weg uitkomen.

Ronnie maakt voor het eerst kennis met grasluizen (pas veel later zullen we tot de ontdekking dat het deze beestjes geweest moeten zijn). Deze insecten hebben de onhebbelijke gewoonte zwaar irriterende rode vlekken te veroorzaken in het gebied waar je onderbroek verblijft. Een week lang heeft dit tot hevige jeuk geleid, maar gelukkig heb je hier in het regenwoud geen last van toeschouwers zodat je ongegeneerd kunt krabben.

In het volgende verslag zullen we de tocht vervolgen door het immense regenwoud van Guyana.

Verslag 14 (Kurupukari – Fort Island) Guyana

’s Morgens vertrekken we vanuit het kamp van de twee Iwokrama medewerkers en fietsen we naar de oversteek van de rivier de Essequibo. We hebben de pech dat de veerboot aan de andere zijde van de rivier ligt. We kunnen lang gaan wachten, want er komen maar enkele auto’s per dag langs en voor twee fietsers wordt het gevaarte ook niet in beweging gebracht. We moeten dus geduld hebben. We verdrijven onze tijd met wat lezen en vissen. Het laatste wordt geen succes, het kunsstoffen kunstvisje wordt dwars door de midden gebeten door (waarschijnlijk) piranhas. Uiteindelijk zien we een motorboot passeren. We zwaaien en hebben succes, een kwartier later staan we aan de andere oever, Kurupukari. We besteigen het stalen ros weer en gaan verder. Dit dorp bestaat uit enkele houten huizen en een klein eethuisje genoemd ‘Martin’s place’. De oude chinees in Lethem had ons eerder verteld dat Martin achter de tralies zat omdat hij iemand om zeep zou hebben geholpen. Martin is kennelijk weer zo vrij als een vogel. Zijn vrouw Dorothy, een indiaanse, probeert ons wat koeken te verkopen. We kiezen enkele uit die nog niet beschimmeld zijn en er gaat ook nog een grote ananas mee. Nadat we nog wat ara’s bekijken die net zijn komen aanvliegen en  zich voeden in de bomen achter hun huis, gaan we verder. Ons doel voor deze dag wordt Mabura Hill. ‘Jullie kunnen het makkelijk halen’, zegt Dorothy met een gezicht alsof ze de rit dagelijks fietst. De weg is verbeterd volgens haar. Alleen van het ‘white sand’ zullen we wat last hebben. En daar komen we achter, het begint gelijk al goed: een afstand van 10 kilometer mul zand die we moeten overbruggen. Het is enorm zwaar: de fietsen voortzeulend, ploegen we onszelf door het mulle zand. Dan pas merk je hoe zwaar zo’n fiets is.  Het zand is vergelijkbaar met duinzand, je zakt constant zo’n 10 centimeter weg.  Niet ver van een inzinking verwijderd, besluiten we de banden bijna leeg te laten lopen om het bandoppervlak te vergroten. Deze oplossing hebben we ooit eens afgekeken van een Egyptische taxichauffeur die met zijn 30 jaar oude Peugeot vast kwam te zitten in het woestijnzand van de Sinaïwoestijn. Het lopen vergaat gelijk een stuk lichter. Desondanks is het gesjouw is zo afmattend dat we besluiten vroeg een kamp te zoeken. We leggen deze dag maar 45 kilometer af en stoppen op het moment dat we een oud verlaten kamp vinden. De geraamtes gemaakt van dunne boomstammen zijn geschikt om je hangmat aan op te hangen. Daaroverheen gaat het plastic zeil dat moet voorkomen dat we nat regenen. Een stuk regenwoud is gekapt en het hout is gebruikt voor het kamp, Een grote woudreus ligt onaangeroerd naast het kamp. In de rivier 200 meter verderop doen we de was en nemen we een fris bad.  Ondertussen vliegen er schreeuwende ara’s en papegaaien over het kamp. We koken en al snel wordt het donker. Ons kampvuur en de kaarsen geven een avontuurlijk schemerlicht. Een tropische regenbui komt over, ‘het stuk plastic toch niet voor niets meegesjouwd’, zeggen we tegen elkaar. Dit is de eerste nacht dat we echt alleen doorbrengen in deze jungle die samen met die van Suriname tot het meest ongerepte deel regenwoud van de Amazone gerekend wordt. Mensen kom je hier niet tegen, maar je weet niet wat voor beesten en insecten ons ’s nachts een bezoek willen brengen. Los van de geluiden van nachtvogels en het gezang van cicaden merken we weinig van het leven in het oerwoud.

’s Morgens pakken we de boel weer in. Na een kilometer of 50 merken we dat we wat meer in de bewoonde wereld komen. Er rijden enkele vrachtwagens die boomstammen vervoeren. In Mabura Hill is de opslagplaats van dit tropisch hardhout. Een gebied van misschien 2 vierkante kilometer ligt bezaaid met boomstammen. Ook hier wordt het tropisch regenwoud dus langzaam ‘opgegeten’. Onderweg passeren we nog een prachtige boa constrictor met paarsblauwe kringen van zo’n anderhalve meter. Het dier heeft zich uitgestrekt over de weg om optimaal te profiteren van de zon. In de eerste instantie denken we dat hij dood is, zo stil ligt hij. Als Gertrude het even van dichtbij wil bekijken beweegt hij plotseling: even schrikken. Ronnie, die geïnspireerd was door  Steve ‘the Crocodilehunter’, pakt met een gevorkte tak het dier van de grond door de staart vast te houden. Hij laat het dier even later wegkruipen het dichte bos in. Even later dendert er een zware truck langs: toch een slangenleven gered!

We overnachten uiteindelijk vlakbij Mabura Hill, nadat we bij de politiepost onze gegevens hebben moeten laten noteren. Er hangen twee ‘wanted’-aanplakbiljetten. De ontsnapping van vijf zware jongens begin 2002 heeft veel paniek in het land veroorzaakt. Het betreffen roofovervallers die meerdere moorden op hun naam hebben staan. “ Armed and extremely dangerous’’ staat er onder hun foto. Bij dit type criminelen neemt de politie van Guyana geen risico: ‘gelijk dood schieten is het motto’, zo wordt ons verteld. Drie van de vijf hebben dit inmiddels aan den lijve ondervonden. Achtergebleven papierflarden aan de muur getuigen van de posters waarop niet lang geleden hun hoofden prijkten.
Bij een simpel cafetaria verderop mogen we bij een dame overnachten onder een afdak bij hun huis tegen de rand van het bos. ‘Pepperpot’, een typisch Guyanese maaltijd staat er op het menu (rijst met een bepaalde zoete saus en stukken kip). Haar oom komt later met een videofilm terugfietsen. Hij logeert een poos bij haar aan de rand van het woud. ‘Hier moet hij afkicken van zijn alcoholprobleem’, vertelt ze. Ondertussen krijgen we wat foto’s te zien van haar en haar familie. Ze heeft ook nog foto’s van een tragisch verkeersongeluk dat zich vlak bij haar huis afspeelde. Het traject van Linden naar Mabura Hill is ook begaanbaar voor personenbusjes. Deze rijden met snelheden van 120 km per uur over het gravelwegdek, zo zullen we de volgende dag zien. Een fotograaf heeft de foto’s van zo’n personenbus gefotografeerd nadat deze frontaal op een vrachtwagen met boomstammen was gereden. Ook de inhoud van de bus (waaronder de verminkte lichamen) werd op de gevoelige plaat vereeuwigd. ‘Alle zeven inzittenden kwamen om het leven’, zo vertelt ze.  De foto’s heeft ze aangeboden gekregen om te verkopen aan (sensatiebeluste) cafetariabezoekers. ‘Ik moest bijna overgeven toen ik sommige foto’s zag’, zegt ze met een vertrokken gezicht. ‘Maar de meest gruwelijke waren gelukkig gelijk verkocht’, voegt ze toe. De vrachtwagen die beveiligd is in een zware metalen kooiconstructie blijkt nauwelijks beschadigd. Het busje daarentegen is als een harmonica in elkaar gevouwen. Wij besluiten het busreizen in Guyana maar niet uit te proberen.

Het vervolg van onze tocht bestaat deels uit stofhappen: vrachtwagens en pick ups laten een wolk van honderden meters fijn stof achter. Naast het stof wordt ook je zicht beperkt, vergelijkbaar met dichte mist in Nederland. Deze weg is daarom berucht vanwege de ongelukken als gevolg van slecht zicht. We bereiken Linden, een bauxietstadje en de tweede stad van Guyana. We nemen onze intrek in een eenvoudig maar schoon pension, we blijven hier een dag  uitrusten omdat de laatste 10 dagen behoorlijk slopend waren.  Ter afwisseling van de hangmat eindelijk weer een fatsoenlijk bed om in te slapen. Linden ligt aan de Demerara rivier die het centrum van deze stad min of meer scheidt,  een brug en kleine bootjes zorgen voor verbinding tussen de twee oevers. Linden heeft qua bezienswaardigheden niet veel te bieden, hooguit een Nederlandse straatnaam springt af en toe in het oog. De horizon wordt grotendeels bepaald door een enorme bauxietfabriek die een groot deel van de plaatselijke bevolking van werk voorziet. Overname door een Canadese maatschappij en een aankomende reorganisatie hebben behoolijke onrust in Linden gebracht.

We vezamelen onze moed weer en  vervolgen de laterietweg (weer zo’n rode stofweg die je haar van een gratis kleurspoeling voorziet) naar Bartica, dat in het oerwoud ligt. Dit afgelegen goudzoekersdorp wordt onze basis om het oude Nederlandse fort ‘Kyk over al’ op te zoeken. Na 110 kilometer eenzame weg door jungle en onderweg de Essequibo weer overgestoken te hebben per motorboot, bereiken we Bartica. Het ligt aan de oever van de twee samenkomende rivieren Essequibo en Mazaruni. Alleen in de verte is land te zien, verder is het een grote watermassa van een kilometer of 6 a 7 breed en dat in het binnenland. In een oud koloniaal houten gebouw vinden we een goede overnachtingsplaats. Het dorp is klein en van het type ‘ons kent ons’.  Er is een klein discotheekje waar dansende negerinnen op de muur zijn geschilderd. ‘Give she what she want’, staat er in het Guyanees-engels onder geschilderd. We worden ’s avonds aangesproken door een Amerikaans stel dat vrijwilligerswerk doet in het dorp. We vragen of zij ook ‘verdwaald’ zijn. Ze blijken hier al een jaar als onderwijzers te vertoeven en zijn erg verrast nog twee blanken te treffen. Het blijkt dat ze over ons gehoord hadden, doordat de dorpelingen dachten dat zij familie (wij dus) op bezoek hadden. We worden in de gaten gehouden...

Een visser krijgen we zover dat hij ons voor een geschikte prijs wil afzetten bij het Nederlandse fort (gebouwd door de Westindische Compagnie) dat 15 kilometer verderop stroomopwaarts in de rivier ligt. De bootsman gaat zijn familie in de buurt opzoeken en wij hebben drie kwartier om het eilandje te verkennen. Het eilandje waarop het fort gebouwd is, ligt op de samenkomst van de rivieren Mazaruni en Cuyuni. Ook hier kilometers water waarover het fort vroeger strategisch uitzicht had. Een stenen poort van bakstenen is de enige tastbare  herinnering aan de vroegere bewoners: ‘Hollands vergane glorie?’. Het eilandje is zo klein dat je er in 10 minuten omheen loopt, sommige delen door het water. Aan een kant is een deel van de oude muren nog te zien, maar de rest is helemaal overwoekerd met klimplanten. Verder wordt het eiland bewoond door twee mangobomen en een paartje havikken. De vogels kunnen onze aanwezigheid niet echt waarderen gelet op het geschreeuw in onze richting. Het is een bijzonder idee te weten dat we ons op deze afgelegen plaats bevinden, terwijl hier begin 1600 Nederlanders een nederzetting gesticht hebben. Er is erg weinig bekend over dit fort. Er bestaan geen tekeningen of afbeeldingen van het fort waarop de originele staat te zien is. Dit is een van de redenen waarom er nagenoeg geen restauratie heeft plaatsgevonden. Nadat we de laatste twee mango’s hebben weten te bemachtigen worden we getrakteerd op een flinke regenbui. Nu hebben we helemaal het gevoel dat we op Nederlandse bodem staan.
Onze bootsman is inmiddels gearriveerd en vertelt dat er een legende bestaat die zegt dat er een onderaardse tunnel (onder de rivier door) loopt naar een nabijgelegen oude Nederlandse vesting, waar nu de Mazaruni gevangenis gebouwd is.

Een veerboot vaart drie maal per week van Bartica naar het noordelijk gelegen Parika, 70 kilometer stroomafwaarts over de prachtige Essequiborivier. Om 5.30 uur in de morgen zijn we aanwezig en de boot vertrekt een half uur later. Onderweg meren er zo nu en dan motorboten aan die van aan de rivier gelegen huizen komen en mensen overzetten. Twee malen wordt de inhoud van een motorboot overgeheveld naar de veerboot, het gaat om honderden kilo’s groene bananen die bestemd zijn voor de markt in Parika en Georgetown. Na een halve dag varen, meren we aan op het ‘Fort Island’. Hier staat het Nederlandse fort ‘Zeelandia’ uit 1744, zo genoemd door de vroegere bewoners. Helaas mogen we officieel niet van de boot af om dat hij gelijk weer vertrekt. Ronnie krijgt de kapitein zover dat hij even op en neer mag sprinten naar het 250 meter verderop gelegen Fort om een foto te maken.  Een tochtje via het modderige pad (het regent al de hele dag) voert naar de mysterieuze ruïne temidden van een stukje regenwoud. In tegenstelling tot het fort ‘Kyk over al’ is dit fort gerestaureerd en is er bekend dat Laurens Storm van ’s Gravensande, de langstgewezen gouverneur, deze vesting heeft laten bouwen.

Ons volgende verhaal zal verslag doen over de hoofdstad Georgetown en ons vervolg naar Suriname.
back

Reisverslag 15 (Fort Island – Nieuw Nickerie)  Guyana

De veerboot meert aan in Parika van waaruit we verder fietsen naar Georgetown. De 45 kilometer is eigenlijk een langgerekte woonwijk. Het hele traject is volgbouwd met huizen en kleine boerderijen. Het zijn voornamelijk Hindustanen die langs dit deel van de weg wonen. Net als de Hindustanen in Suriname zijn ze eind 1800 als contractarbeiders per zeilschip overgevaren vanuit het huidige India. Ze leven van veeteelt en landbouw op kleine schaal. Aan de namen van de volksbuurten die we passeren zien we dat de Nederlanders ook hier ooit actief geweest zijn. Volgens historische vastleggingen zijn de Nederlanders later inderdaad vertrokken vanuit het binnenland naar de kuststreek. Namen als ‘Soestdijk’, policeoffice ‘De Amstel’, ‘Werk en Rust’ en vele andere Nederlandse namen komen we tegen. Op oude landkaarten is aan de benamingen goed te zien waar Engelsen, Nederlanders en enkele Fransen hun voetsporen hebben achtergelaten.

Via de Demerarabrug, een drijvende stalen brug van twee kilometer, bereiken we de hoofdstad Georgetown met ruim 200.000 inwoners (30% van de totale bevolking van Guyana). De stad waar elke Guyanees die we tot nog toe gesproken hebben ons voor gewaarschuwd heeft. We hebben regelmatig de ‘Stabroek Nieuws’, het landelijke dagblad, gelezen en hebben inderdaad kunnen vaststellen dat er regelmatig doden vallen als gevolg van roofovervallen. De politie is daarentegen ook niet te beroerd om haar kogels de vrije loop te laten.

Het is altijd druk in de stad, valt ons op. De hele dag is het ‘spitsuur’, ook tussen de middag. De mensen zijn met alles en nog wat bezig. Bij de barretjes zie je groepjes mannen helemaal uit hun dak gaan met Guyana’s meest populaire indoor sport: domino!

Via de Bentincksstreet (komt dit bekend voor?) rijden we het centrum in over de Stabroekmarket, dat letterlijk zwart ziet van de mensen. Kraampjes, een krioelende mensenmassa en  personenbussen, het is een chaotisch gezicht. Na enkele pensions van binnen te hebben bekeken, vinden we een geschikte overnachtingsplaats waar we ons installeren. We blijven enkele dagen in deze stad om wat zaken te regelen zoals een visum voor Suriname en om de stad goed te verkennen. Ondanks dat deze stad een afschrikwekkende werking heeft op toeristen, is het een prachtige stad met veel interessante koloniale gebouwen. Het museum is bijvoorbeeld ook de moeite waard. Hier kom je nog veel Nederlandse geschiedenis tegen, zoals: manuscripten, aardewerk, oude jeneverkruiken en een slavenzweep. ‘Dutch’, staat er steeds overduidelijk bij de attributen vermeld. Enkele creolen, nakomelingen van de door de Engelsen en de Nederlanders ingevoerde slaven, bieden nu op straat oude Nederlandse jeneverkruiken te koop aan. Deze worden opgedoken uit de rivieren waarin ze honderden jaren geleden als afval over boord zijn gegooid. ‘Blankenheym en Nolet, Schiedam’ staat er in een van de handgemaakte kleien kruiken gestempeld. Even later komt hij weer in Nederlandse handen en zal binnenkort na honderden jaren de terugreis maken naar het land van ‘herkomst’.

De Stabroek Tower torent uit boven de hectische openluchtmarkt. Het overdekte deel van de markt is een wirwar van gangen, stallen en kramen. Je moet je eerst door een krioelende menigte werken. De markt is berucht vanwege de zakkenrollers die in groepsverband werken. Bijna zijn wij wat centen lichter, maar Gertrude heeft ze tijdig in de gaten en ze glippen weg, even schrikken dus. De marktmeester geeft ons toestemming om met een van de medewerkers de Stabroektoren te beklimmen. Vanaf de top heb je een mooi uitzicht over de stad en de Demerararivier.

We bereiken de Surinaamse ambassade na wat omzwervingen (ze bleken verhuisd te zijn). We hebben geluk dat we ons paspoort (die een visum rijker is) nog dezelfde dag kunnen ophalen. We hebben nog even een leuk gesprek met de beambte van de ambassade. Hij vraagt ons of we met de veerboot gaan of via de ‘back track’. Er is weinig controle op de grensrivier Marowijne, zodat boten illegaal af en aan varen tussen Guyana en Suriname, deze route wordt de ‘back track’ genoemd. De beambte adviseert ons de veerboot te nemen, die schijnt namelijk goedkoper te zijn.

De dierentuin van Georgetown bestaat uit een grote verzameling (hoofdzakelijk) inheemse dieren. Alleen al de zes harpij-arenden zijn de moeite waard. Dit zijn de grootste arenden (tot 10 kg) ter wereld en komen in de binnenlanden voor. Ze kunnen hun kop 180 graden draaien, zowel van voor naar achter, als van boven naar beneden. Het is de bedoeling dat deze zeldzame vogels met een spanwijdte van 2,5 meter op termijn weer uitgezet worden.

In de vroege morgen dat we willen vertrekken vanuit Georgetown, horen we iemand op straat wegrennen terwijl er tegelijkertijd honden aanslaan. Een mislukte inbraakpoging bij ons hotel. Onze fietsen staan er gelukkig nog, deze had de beheerder op een - niet in gebruik zijnde – hotelkamer geplaatst.
We zijn nog geen halve kilometer onderweg of het begint te stortregenen. Aan de laaghangende wolken te zien zal het niet snel stoppen. Onze bagage dekken we af met een vuilniszak en we kunnen verder. Tijdens de regen is het een stuk frisser, maar door de inspanning van het fietsen is het uit te houden zodat we door de stromende regen de weg vervolgen. Urenlang houdt het aan en het blijft deze dag tamelijk donker zodat we ons knipperende achterlicht bevestigen om achteropkomend verkeer te waarschuwen. De slechte afvoer zorgt voor meterslange plassen over de weg. Dit kan gevaarlijk zijn omdat je gaten in het wegdek niet kunt zien, laat staan inschatten hoe diep ze zijn.  Ondertussen fietsen we door het dorp Buxton, een ‘rovershol’  waar we ook al meerdere malen voor gewaarschuwd zijn. Permanente beveiliging door militaire voertuigen moet de orde bewaren. Ook dit dorp overleven we, en gaan met een gerust hart weer verder. Het weer klaart tegen de middag op en het wordt gelijk weer warm, het zal ruim 30 graden celcius zijn. We stoppen in een dorp om weer wat cola achterover te gieten (lekker koud, en veel suiker). De winkeleigenaar vertelt ons dat we in El Dorado zijn. ‘Land van goud’, legt hij ons uit. Ons tweede ‘El Dorado’ na die van Venezuela. ‘We hebben anders weinig goud zien liggen langs de weg’, grappen we.  ‘Dat betekent dat jullie hier niet lang genoeg geweest zijn’, zegt de man bijdehand terug. De volgende stop is 30 kilometer verderop. Omdat ook hier geen plaatsnaam aangegeven is vragen we een creoolse jongen naar de naam van het dorp. ‘Eight’, zegt hij. De buurtschappen hebben hier nummers gekregen in plaats van namen. Eigenlijk best handig.

We komen aan in Springlands, feitelijk de grensplaats met Suriname. Vanuit deze plaats nemen we de volgende dag de boot naar Suriname, nadat we eerst nog 15 kilometer naar het zuiden hebben afgelegd. De grensoversteek verloopt gemakkelijk, we bereiken Suriname! We moeten nog tweehonderd meter afleggen met onze fietsen richting de grenspost. We zijn als eersten van de boot en bereiken de post fietsend. Een rennende meute achtervolgt ons om niet te lang in de rij te hoeven staan. Het is een bijzondere gewaarwording om plotseling weer Nederlands te kunnen spreken in dit Zuidamerikaanse land.

Het binnenkomen van Suriname is sowieso weer een bijzonder moment voor ons. Ronnie heeft hier namelijk in ’94 een half jaar stage gelopen en Gertrude is destijds ook voor enkele weken overgekomen. Kortom we zijn heel benieuwd hoe dit land veranderd is en zien er ook naar uit om weer oude bekenden op te zoeken. Qua paspoortafhandeling is er in ieder geval niets veranderd, de bureaucratie is hier nog steeds extreem. De ‘stempelman’ geeft ons zonder problemen een stempel, hij is erg verbaasd te zien hoe twee ‘bakra’s’ (Nederlanders) de grens passeren per fiets. We vervolgen naar de volgende beambte: de douaneofficier. Deze blijkt met twee woorden te spreken: ‘maak’ en ‘open’. Hij roept zijn twee lievelingswoorden als commando in onze richting terwijl hij naar onze fietstassen wijst. ‘Welkom in Suriname’ staat er buiten op een groot bord. Daar heeft deze doorgeslagen overheidsdienaar  kennelijk niets mee te maken. Enkele tassen bekijkt hij. We moeten een beetje gniffelen als hij een van de tassen, die kleding bevat, met een vertrokken gezicht aan de kant schuift. Je vuile ondergoed bovenop leggen werkt altijd, blijkt maar weer. ‘Zit er alleen kleding in?’, vraagt hij. ‘Nee, ook nog een flesje rum’, antwoordt Ronnie in alle eerlijkheid. ‘Stempel!’, is zijn reactie. Ergens in een kamertje zit een stempelfreak. Hij is wat beter gehumeurd en vraagt Ronnie of hij ‘zó weinig drinkt’, wijzend op het 33 cl flesje. Hij drukt een stempel op het etiket, we kunnen verder. Onze ‘commandant’ komt  inmiddels ook met stempel aangesneld en vraagt naar de fles. ‘We hebben al een stempel, sorry’, is onze reactie. Teleurgesteld loopt hij terug.

Ondertussen, terwijl wij en vele anderen blootgesteld zijn aan rigide controles, wordt er flink op los gesmokkeld via de ‘backtrack’ even verderop.

We fietsen verder in Suriname! Na veertig kilometer zandweg komen we aan in Nickerie. ‘Jackpot 100.000.000 SF (Surinaamse Gulden)’, staat er op een groot bord langs de weg. De inflatie is enorm geweest. Een flesje cola kost al 1000 SF, een literfles Parbo bier (onder andere gemaakt van rijst) kost inmiddels 5.500 gulden. In 1994 betaalde je hier 70 Surinaamse ‘Florijnen’ voor, dat was omgerekend 30 Eurocent. In de jaren 70 stond de Surinaamse Gulden gelijk aan de Amerikaanse Dollar. Onder andere de verslechterde economie, instabiele politieke situatie en het laten bijdrukken van geld (monetaire financiering), hebben deze inflatie veroorzaakt. Kortom je loopt met stapels papiergeld dat nauwelijks waarde heeft. (koers op dit moment: 100 Euro = 290.000 SFL!).

In ons volgende verslag zullen we ingaan op onze verdere reis door Suriname en zullen we beschouwingen geven over het reilen en zeilen in dit land dat tot 1975 onderdeel van Nederland uitmaakte.
back

Verslag 16 (Nieuw Nickerie-Paramaribo)  Suriname
 

Nieuw Nickerie is de hoofdstad van de provincie Nickerie in Suriname. Een stad kun je het eigelijk niet noemen, het is meer een dorp. Als toeristische trekpleister heeft Nickerie de Zeedijk. De dijk is voor Zuidamerikaanse begrippen een uniek verschijnsel, maar als je de dijk in de hoedanigheid van een  Nederlander ziet, is het verrassingseffect gering. Als je geluk hebt zie je een zwerm rode ibissen. Meestal blijven ze op veilige afstand van een schot hagel. Verder kijk je uit over een grauwgrijze zee en een modderstrand waarin je tot je knieën, of verder, wegzakt. Het slib wordt aangevoerd door de rivieren uit het regenwoud maar is grotendeels afkomstig van de zeestroming die langs de monding  van de Amazonerivier komt. Ook qua vermaak heeft Nickerie niet veel te bieden. Een groepje Surinaamse mannen lost dit ’s avonds op door hun auto op een parkeerplaats te zetten met de kofferbak open. De stereo-installatie zorgt voor de nodige muziek en in de kofferbak staat een koelbox met ijs. Als we langs lopen worden we geroepen, twee leden van de groep blijken Nederlandse Surinamers te zijn. Grote flessen dure whiskey zijn tax free op de luchthaven gekocht en gaan de groep rond. Wij krijgen ook een shot met ijs in onze handen gedrukt al dan niet gemixed met cola. Als borrelhapje is er ‘doks’, oftewel gebakken stukken eend. We worden uitgenodigd die avond mee te gaan naar een disco. We bedanken ze vriendelijk: morgenvroeg is het weer vroeg op, we gaan richting Paramaribo!

Kilometers rijstvelden zie je wanneer je Nieuw Nickerie, de meest oostelijke plaats van Suriname, verlaat richting de westelijk gelegen hoofdstad Paramaribo. Het landschap is eentonig. Dit wordt nog eens verergerd door de urenlang aanhoudende regen. De oost-west-verbinding verbindt Nieuw Nickerie met Albina, in het oosten (grensplaats  met Frans Guyana). Als het weer opklaart zijn we de provincie Coronie al binnengekomen. Coronie is de cocosprovincie aan de kust. Ooit werd hier geld verdiend met de productie van kokosolie. Vanwege o.a. ziekten in de palmbomen is de productie van kokosolie nagenoeg stil komen te liggen. Op dit moment betreft het een arme provincie waar voornamelijk creolen wonen. Twee Belgische jongens, die we ontmoet hebben in Nieuw Nickerie, hadden ons aanbevolen hun landgenoot in Totness op te zoeken. Als we aankomen in Totness worden we gastvrij ontvangen door de Belg en zijn vriendin.  Ze hadden onze komst van de jongens al gehoord, en verwachtten ons. Hun huis is, net als elk ander huis in Coronie, omringd met palmbomen. We hebben een leuke avond met hen met veel humor. De nacht brengen we door in de camper die op het erf staat.

Ook de volgende morgen begint onze reisdag met regen, urenlang miezert het met af en toe als afwisseling een plensbui. De temperatuur zal ergens in de buurt van de 21 graden liggen, fris voor Surinaamse begrippen. Omdat we onszelf met het fietsen voldoende warm houden, dragen we geen regenkleding. Deze dag maken we onze tussenstop in Groningen, Surinaams Groningen wel te verstaan. Naast Groningen zijn er meerdere namen die van de Nederlandse invloed getuigen. Om wat voorbeelden te noemen: Wageningen, Nieuw Amsterdam, Domburg, Alkmaar en Lelydorp. We vinden onderdak in het ‘logeergebouw’ van Groningen. We hebben het mooie koloniale gebouw met een grote veranda voor onszelf. Ronnie heeft ruim zes jaar in (Nederlands) Groningen gewerkt en was er drie jaren woonachtig. Het geeft daarom een bijzonder gevoel om de nacht in een dorp met dezelfde naam door te brengen, ook al ligt dat 7.500 kilometer verderop. Het Surinaamse Groningen is erg idyllisch gelegen aan een vertakking van de Surinamerivier. Aan de oever van de rivier staat het monument van de ‘boeroes’. Boeroe is de bijnaam voor de vroegere (Groninger en enkele Gelderse) boeren die hun heil in dit land gezocht hebben. In 1845 heeft een groep van zo’n 400 boeren en boerinnen de oversteek gewaagd naar Suriname om zich te richten op landbouw en veeteelt. Oude verhalen vertellen over ‘het verschrikkelijke lijden’. De boeren zouden een groot kapitaal hebben betaald voor de overtocht per schip en een stuk grond in het nieuwe land. Het land zou in ontgonnen staat moeten zijn, zodat de boeroes gelijk aan de slag zouden kunnen. De schrik was groot toen bleek dat dit stuk land niet meer dan een stuk ongerept tropisch regenwoud was. De boeroes leefden in armoede en de helft van de immigranten stierf al snel aan ziekten als malaria en gele koorts. 56 Boeren hebben de oversteek terug naar Nederland ondernomen. Nog steeds bestaat er in Suriname een groep nakomelingen van deze boeroes. Op de begraafplaats zijn nog enkele grafstenen te zien uit de negentiende eeuw. Een enkeling heeft eind 1700 als geboortedatum. Naast het monument springt ook de rechtzaal van Groningen in het oog. Dit is de eerste ‘openluchtrechtszaal’ die we zien. Het gebouw bestaat namelijk uit niet meer dan een groot afdak. Kortom hier zijn de rechtszittingen pas echt openbaar!

Via de Gravenstraat komen we de volgende dag Paramaribo binnen. Het is een bijzondere ervaring na acht jaren weer op bekend terrein te komen. Het valt ons gelijk op dat de staat van de stad sterk verbeterd is. De meeste houten koloniale gebouwen hebben een grondige opknapbeurt gehad. In 1994 groeiden uit sommige van de 18e eeuwse gebouwen bomen uit de dakgoten en bromelia’s uit de kieren. De natuur slaat hardhandig toe wanneer je geen onderhoud pleegt. De hoge luchtvochtigheid en de warmte zorgen ervoor dat onder andere bromelia’s op bijna alle plaatsen gedijen. Zelfs op electriciteitsdraden in de straten zie je hier en daar planten groeien.

In de stad aangekomen zoeken we onderdak. Een hospita heeft nog een kamer vrij in haar huis waar we twee nachten doorbrengen. Via een oude kennis vinden we een huis buiten het centrum van de stad. We hebben besloten enkele maanden in Suriname te blijven om een rustpunt in te bouwen in onze reis. Na bijna tien maanden ‘rondgezworven’ te hebben krijg je toch wel weer behoefte aan een vast honk. Een simpel ding als ‘een koelkast’, is voor onze begrippen een luxegoed geworden. Maar we merken ook hoe snel je weer went. Het huis dat we bewonen is omgeven door een grote tuin met enkele fruitbomen. Een stenen schutting en een groot hek beschermen het huis tegen ongenode gasten. Verder zijn alle deuren en vensters voorzien van ‘dievenijzer’, zo ook de veranda. Dievenijzer bestaat uit een betondraad dat in geruite vorm gelast is. Een groot deel van de huizen in Suriname is met dit dievenijzer uitgerust. Het geeft je soms het idee dat je in een gevangenis zit, zei het dat het metaal nu bescherming biedt tegen inbreken in plaats van uitbreken.

Een uitstap naar de geschiedenis:  de eerste bewoners van Suriname waren de Cariben en Arowakken, ‘indianen’ of hier in Suriname ‘inheemsen’ genoemd. De eerste groep stond bekend als zeer agressief, onder andere vanwege het toegepaste kannibalisme. Het woord kannibaal zou afgeleid zijn van de naam Carib. Onder bevel van Columbus werden de Guyanas (Guyana, Suriname en Frans Guyana), of de ‘wilde kust’ voor het eerst door westerlingen aangedaan. Er werd alleen oerwoud aangetroffen, pas later werden de Guyanas interessant vanwege goud. Rond 1600 werd er voor het eerst handel gedreven met de indianen (tabak, cacao etc.). Een halve eeuw later kwamen de eerste planters onder leiding van de Engelsman Francis Willoughby. Na diverse aanvaringen tussen de Engelsen, de Fransen en de Zeeuwen is uiteindelijk de verdeling tot stand gekomen zoals die nu is, zei het dat alleen Frans Guyana nog steeds een departement van Frankrijk is. De strijd met de Engelsen om Suriname is uiteindelijk opgelost middels ‘de Vrede van Breda’, 31 juli 1667. Suriname werd Nederlands grondgebied, terwijl Nieuw Amsterdam (het huidige New York) door de Nederlanden werd overgedragen aan de Engelsen. Het opgerichte fort Zeelandia aan de oever van de rivier in Paramaribo herinnert nog aan dit verdrag. Inmiddels werden de plantages bevolkt door Nederlanders en andere Europeanen, Portugese joden uit Brazilië (op de vlucht voor de Katholieke kerk) en Afrikaanse slaven.

Het bestuur werd overgedragen aan de West-Indische-Compagnie, een gouverneur werd aangesteld als gezagshouder. Honderden plantages verbouwden suikerriet, cacao, koffie en katoen. In 1863 werd de slavernij formeel afgeschaft in Suriname. De vrije slaven verhuisden van de plantages naar de stad: ze waren het werken op de plantages (begrijpelijk) beu. Als alternatief voor de voormalige slaven trok Nederland Hindostanen aan uit het vroegere Britsch Indië, het huidige India. Deze ‘contractarbeiders’ kregen een aanstelling op de plantages voor vijf jaren om daarna terug te keren naar hun thuisland. Een enkeling keerde terug, maar voor de meesten was er geen terugkeer mogelijk, omdat de boot simpelweg niet kwam opdagen. De hindostanen werkten onder erbarmelijke omstandigheden en vormden de onderlaag van de samenleving. Toen de regering van India hier hoogte van kreeg, werd de emigratie naar Suriname verboden ter bescherming van het eigen volk. Nederland besloot vervolgens nieuwe contractarbeiders te werven in Nederlands Indië. Zodoende deden de Javanen hun intrede in Suriname aan het begin van de twintigste eeuw.  25 november 1975 zette toenmalig koningin Juliana haar handtekening onder de onafhankelijkheidsverklaring van Suriname. Het kabinet Den Uyl gaf Suriname een afkoopsom van 3,5 miljard gulden aan ontwikkelingshulp mee. Het overgrote deel hiervan is verdwenen in projecten die nooit operationeel zijn geworden. Op dit moment gaat het naar omstandigheden goed met Suriname, ondanks dat een erg groot deel van de bevolking nog steeds onder de armoedegrens leeft. Het land telt (met een oppervlakte van drie maal Nederland) ruim 450.000 inwoners. Grofweg een zelfde aantal heeft in de periode 1975 tot heden de sprong gemaakt naar Nederland.

In de volgende verhalen zullen we ingaan op onze reizen door de binnenlanden van Suriname, waar we onder andere op bezoek gaan bij de ‘boslandcreolen’, afstammelingen van vroegere ontsnapte slaven.
back

Verslag 17 (binnenlanden)  Suriname

Vanuit Paramaribo maken we ons gereed voor een zesdaagse fietsreis door de ‘binnenlanden’ van Suriname. Het binnenland staat voor het tropisch regenwoud dat deel uit maakt van het Amazonegebied. Ongelovig kijken de surinamers ons aan als ze horen dat we door de binnenlanden gaan fietsen. ‘Maar daar heb je spinnen, insecten en weet ik wat nog meer’, is een van de reacties. Verder heerst er nog altijd het spookbeeld van de binnenlandse oorlog van jaren geleden en de criminaliteit die er zich voor zou doen. We zullen zien wat ons te wachten staat. Landen in Azië zoals Indonesië en Thailand worden al jaren bezocht door Nederlandse fietsorganisaties. Ook in Suriname leeft bij enkele reisorganisaties het idee om fietstochten te gaan organiseren voor (voornamelijk buitenlandse) toeristen. Met de directeur van Mets, een vooraanstaande reisorganisatie in Suriname, komen we overeen dat wij een handje gaan helpen. Mets heeft als doel om toeristen in aanraking te laten komen met het prachtige tropische regenwoud en de boeiende cultuur van het land. Ze doen dit op een dusdanige wijze dat ook  de locale bewoners zoals indianen of ‘inheemsen’ zoals ze zich hier laten noemen (‘we komen niet uit India’, is hun zienswijze), erbij betrokken worden. Een deel van de gegenereerde opbrengsten uit het toerisme wordt aangewend om gewenste voorzieningen (zoals onderwijs en medische hulp) ter plaatse te verbeteren.

Omdat een aanzienlijk deel van de routes overeen komt met de tochten die we zelf sowieso willen gaan ondernemen, bieden we een helpende hand in de vorm van het vastleggen van een gedetailleerde routebeschrijving en het uitkijken naar geschikte overnachtingsplaatsen. Het grootste deel van het traject voert over laterietwegen (rode ‘bauxietwegen’) door tropisch regenwoud. Als tegenprestatie worden onze ‘reis- en verblijfskosten’ vergoed.

De eerste overnachting vindt plaats in Bersaba, een oude plantage in de buurt van de luchthaven. Bersaba is populair bij inwoners uit Paramaribo die er ’s weekends komen pootje baden in de Coropina rivier. Een andere populaire soortgelijke pleisterplaats is Colakreek (genoemd naar de kleur van het bijna zwarte water), even verder op. Enkele Surinamers zwemmen daadwerkelijk in deze kreken. Velen kunnen niet zwemmen of zijn bang voor enge beesten in het water (je kunt de bodem niet zien en dus weet je niet wat er nog meer zwemt). Maar de muziek die standaard uit elke geparkeerde auto schalt en de immense hoeveelheid voedsel en drank die uit grote koelboxen getoverd worden, bieden voldoende afleiding. Een dame is even verderop druk bezig haar haren te wassen temidden in een grote vlek shampoo, ach ja, als je toch in het water zit... Vlakbij colakreek is in 1989 een SLM-vliegtuig neergestort waarbij vele inzittenden omkwamen. Dit heeft jarenlang het bezoekersaantal bij colakreek gedrukt aangezien velen bang waren dat de geesten van de slachtoffers hier nog zouden ronddolen. We stoppen onderweg nog even bij het monument dat ter nagedachtenis aan deze ramp geplaatst is aan de rand van het woud. Vlak achter het monument getuigen grote, door planten overgroeide, aluminium brokstukken nog van de vliegramp.

We vervolgen onze route het binnenland in. Boslandcreolen, afstammelingen van vroegere ontsnapte slaven, vormen de grootste bevolkingsgroep in de binnenlanden van Suriname. Onderweg passeren we meerdere kleinere primitieve nederzettingen. In houten hutten met palmbladeren daken leven ze op eenvoudige wijze met de minimale voorzieningen. Niet ver van de luchthaven Zanderij zien we bijvoorbeeld het dorp Bollin Sabana. Ondanks het feit dat dit dorp dat meer van een kamp weg heeft, niet ver verwijderd is van de beschaafde wereld, geven de bewoners er nog de voorkeur aan in een geheel eigen stijl te leven.

Meer dan 80 procent van het Surinaamse landoppervlak bestaat nog uit ongerept regenwoud. Hoe verder men naar het zuiden trekt, des te ondoordringbaarder het woud wordt. De oerwouden van Suriname en Guyana behoren tot het meest ongerepte deel van het Amazonegebied, internationale reisgidsen spreken vol lof over dit nog ‘niet ontdekte’ deel van de wereld. Ons doel voor deze dag is het nationaal park ‘Brownsberg’, 130 km ten zuiden van de hoofdstad Paramaribo. Een brulaap, die op een bord geschilderd is, wijst ons rechtsaf: ‘nog 30 kilometer’, zegt het beest. Buiten het nationaal park wordt er flink op los gejaagd door iedereen die zich een jachtgeweer kan permitteren (met of zonder vergunning). Zelfs de brulaap op het bord is bij gebrek aan beter doorzeefd met kogels: ‘Baboen’ (de Surinaamse benaming voor de rode brulaap) is een lokale lekkernij.
In de 17e en 18e eeuw hebben er ontsnappingen plaatsgevonden van slaven die tewerkgesteld waren op de plantages van Suriname. Omdat plantage-eigenaren klopjachten hielden op de ontsnapte slaven, trokken de laatsten steeds dieper het oerwoud in. Ze leefden onder erbarmelijke omstandigheden en hielden zichzelf in leven door te jagen en te vissen en  het eten van cassave en vruchten die in het oerwoud te vinden waren. Ook al hebben de boslandcreolen inmiddels al lang kennis gemaakt met de ‘beschaafde wereld’, het jagersinstinct zit er nog steeds in. ‘Elke boslandcreool beschikt over een jachtgeweer’, vertelt een van de mannen ons met een trots gezicht. ‘En als een bosneger een buffel ( Surinaams voor ‘tapir’, het grootste zoogdier in het wild van Zuid Amerika) schiet, dan is het feest in het dorp. De buit wordt namelijk verdeeld onder de bewoners’.

Brownsweg is een zogenoemd ‘transmigratiedorp’. In de jaren zestig is de afobakastuwdam aangelegd, waardoor een stuwmeer ter grootte van Noord Nederland ontstond. De in dit gebied gelegen dorpen werden geëvacueerd. De inwoners werden gedwongen verhuisd naar diverse transmigratiedorpen om daar een nieuw leven te beginnen. Tussen Brownsweg en Paramaribo pendelen dagelijks oude Daf trucks op en neer. De in Nederland afgeschreven vrachtwagens zijn overgestapt van het vrachtvervoer naar personenvervoer. In de laadbak zijn provisorisch vierkante gaten gezaagd waarin ramen zijn geplaatst. Houten planken overdwars dienen als zitbanken. Kortom: vrachtwagen wordt bus. Een oude van Gent & Loos truck (oude reclame wordt zelden verwijderd) komt ons tegemoet om boslandcreolen af te zetten op ‘Schiphol’, de verzamelplaats van de personentrucks in de stad die het vervoer tussen Paramaribo en het binnenland.

Vijf km na Brownsweg begint de 10 km lange klim naar de Brownsberg, de top ligt op ruim 550 meter en biedt een prachtig uitzicht over het afobakastuwmeer. We melden ons bij de beheerder van Stinasu. Deze organisatie (Stichting voor Natuurbehoud Suriname) voert het beheer over de beschermde natuurreservaten van Suriname. In vergelijking met ons vorig bezoek aan dit park in 1994, valt gelijk op dat de faciliteiten in het park sterk verbeterd zijn. Er zijn enkele eenvoudige bungalows die gehuurd kunnen worden en de liefhebber kan overnachten in een hangmat onder een overkapping. De opbrengsten uit hoofde van verhuur van deze faciliteiten worden aangewend voor de bescherming van dit beschermde stuk tropisch regenwoud. Verder zijn de paden die leiden naar diverse watervallen goed onderhouden. We blijven twee nachten om enkele routes te lopen. Het is vaak bewolkt op en rondom de berg en ook de dagen dat wij er zijn is het er niet vrij van: het is hier niet voor niets een ‘regenwoud’.  Tussen de buien door spotten we toch nog drie soorten apen, vele soorten vogels en ander klein gespuis waaronder de in de volksmond genoemde bosspin, een gitzwarte tarantula met oranje ‘voetjes’. Ook enkele bijzondere insecten zoals bidprinkhanen, de atlasvlinder (grote nachtvlinder met een spanwijdte van 20 cm) en vele kevers laten zich ’s avonds zien doordat ze op TL-licht afkomen. Verder zijn er vele kikkersoorten te zien. We zien diverse malen een groenzwarte pijlgifkikker. Deze draagt een klont kikkervisjes mee op haar rug die ze van plas naar plas overzet.

De afdaling van de Brownsberg gaat uiteraard aanmerkelijk sneller dan de klim, alhoewel de glibberige lemen weg wel de nodige voorzichtigheid verlangt. We vervolgen onze tocht verder de binnenlanden in en komen weer uit op de weg naar het Afobakastuwmeer. Na vele kilometers brede laterietweg, slaan we links af richting Victoria. Het landschap van tropisch regenwoud verandert plotseling in een savanne-achtige omgeving met Afrikaanse palmen. Ooit werden de vruchten van deze palm geoogst om palmolie te produceren. De spearrot ziekte heeft een einde aan de productie gemaakt. Het landschap ligt er verlaten bij. Voordat we het kleine dorp binnenkomen is er aan de linkerkant de oude fabriek die inmiddels door klimplanten bewoond wordt. In het dorp komen we in contact met verantwoordelijke man van de bewaking van de fabriek en het ‘stafdorp’, waar vroeger het management van de fabriek woonde. Hij toont ons de aan de Surinamerivier gelegen huizen. Ze zien er van afstand mooi uit, maar van dicht bij is goed te zien dat termieten en andere kleine insecten langzaam hun werk doen en het hout opvreten. Het is de bedoeling dat de woningen omgebouwd worden tot vakantiehuizen vertelt hij. Helaas, het toegezegde geld voor de renovatie laat lang op zich wachten en het oerwoud neemt langzaam haar terrein terug. Het zwembad en de tennisbaan zijn inmiddels al onherkenbaar geworden. De overnachting vindt die dag plaats in het dorp Brokopondo. Sinds kort beschikt dit dorp over een prachtig (opgespoten) geel zandstrand met mooie pinahutten (afdak van palmbladeren). Als we het strand opfietsen, komt er een oude boslandcreool met hanenkamkapsel naar ons toe gesneld. ‘Yu musu pai’, zegt hij in het Surinaams. Hij blijkt geen Nederlands te spreken, maar met onze basiskennis Surinaams komen we er wel uit. We vragen hem hoeveel we dan moeten betalen om de nacht door te brengen onder een van de afdakjes.  Kort nadat we hem betaald hebben komt hij terug met het geld. Hij mag geen geld aannemen van zijn baas, er is namelijk geen kwitantieboekje aanwezig. Maar, als we hem een ‘kado’ willen geven, dan is dat natuurlijk wel goed, zo vertelt hij er slim bij. Hij krijgt een ‘kado’.  We installeren onze hangmatten en beginnen met het koken van een pan spaghetti terwijl ondertussen even verderop Creoolse vrouwen de vaat en de was doen in de Surinamerivier.

Via de stuwdam vervolgen we onze tocht richting Klaaskreek. Het bijzondere van het stuwmeer is dat de bomen sinds het vollopen van het meer 40 jaren geleden, nooit verdwenen zijn. De dode toppen steken als speren boven het wateroppervlak uit. Ze lijken versteend te zijn. We komen onderweg uit in het dorp Berg en Dal, een van de oudste (verlaten) plantages uit Suriname. Een kerk en de oude commissariswoning zijn geheel overgroeid met klimplanten zodat het met recht een spookstadje genoemd kan worden. Toch blijkt er nog een enkeling te wonen. Even verderop ontmoeten we een Creoolse man van in de zeventig. Zijn verdiende geld in de Verenigde Staten heeft hij gebruikt om enkele vakantiewoningen te bouwen aan de Surinamerivier. ‘Dit weekend komt er een groep ‘oude mensen’ om hier van de rust te genieten’, zo vertelt hij. Op onze vraag op welke leeftijd men hier als ‘oud’ wordt beschouwd, reageert hij een beetje geheimzinnig. ‘Als je niet meer eet, dan ben je oud’, zegt hij half fluisterend tegen Ronnie. Een Surinaamse woordspeling voor het niet meer bedrijven van de liefde. Met zijn 78 jaar ‘eet’ hij nog volop laat hij Ronnie trots weten. Wel met behulp van ‘medicijn’ vervaardigd van kruiden uit het woud, een natuurlijk pepmiddel. Zo af en toe bezoekt hij zijn ‘buitenvrouw’ in Klaaskreek. Zijn wettelijke vrouw woont nog in de VS, maar zij ‘eet’ niet meer. Niet zonder trots laat hij ons weten dat hij 18 nakomelingen heeft bij vier vrouwen.

In Klaaskreek worden we uitgenodigd om te overnachten bij een Boslandcreoolse familie en zien we veel van hun traditionele wijzen waarop zij kruiden uit het woud verzamelen om kruidenbaden tegen elke aandoening  te bereiden.

In ons volgende verhaal zullen we ingaan op onze ‘expeditie’ van 12 dagen door zeer afgelegen delen van het Surinaamse binnenland.
back

Verslag 18 ( P’bo – Apura – P’bo)  Suriname

We hebben wederzijdse ouders op bezoek gehad. Het was bijna een jaar geleden dat we elkaar in levende lijve ontmoet hebben. Gezamenlijk zijn we erop uitgetrokken om de mooie plaatsen van het land te bezoeken. De tijd vloog voorbij en al snel moest voor hen de zomer weer ingeruild worden voor de Nederlandse winter. Inmiddels hebben wij het weer druk met andere zaken. Zo hebben we bijvoorbeeld een gesprek met de minister (Sandriman) van onderwijs en volksontwikkeling, waaronder sport, gehad over onze reis. In dit gesprek hebben we toestemming gekregen voor het organiseren van een sponsortocht ten behoeve van een school in het binnenland (Pokigron) . De directeur van sportzaken was ook bij het gesprek aanwezig en speelde er enthousiast op in met zijn voorstel om de Wielrenunie hierbij te betrekken. Kortom: wekelijks zitten we nu te vergaderen met de Wielrenunie over de tocht waar naar alle waarschijnlijkheid meer dan 80 fietsers aan mee gaan doen. Na keuze kan ingeschreven worden op een deel van het traject: 50, 90 of 180 kilometer: de eindbestemming Pokigron. Ondanks dat de tocht nog niet officieel is aangekondigd via de media, is er al veel animo onder fietsliefhebbers. Dit komt wielrenunie ten goede omdat naast het sponsordoel ook het ‘fietsen op zich’ gepromoot gaat worden.

Nadat ons gesprek met de minister gepubliceerd was in een Surinaamse krant (wat wij overigens niet wisten), kregen we niet veel later een bescheiden cameraploeg over de vloer voor een reportage over onze fietsreis. Twee dagen daarna zagen we onszelf verschijnen in een Surinaams jongerenprogramma.

Vanwege het feit dat Suriname een prachtig fietsland is, zijn we begonnen met het uitzetten van de laatste fietstocht voor de reisorganisatie METS (Movement for EcoTourism Surinam). Wij maken een gedetailleerde beschrijving van de route en bezienswaardigheden en maken een voorstel voor overnachtingsplaatsen. De tocht van 650 km zal voor 230 km bestaan uit geasfalteerd wegdek en 420 km uit zandwegen door tropisch regenwoud. Hierna volgt een beschrijving van onze ervaringen van deze tocht die 12 dagen in beslag nam. Op termijn zal deze tocht onderdeel worden van een 21 daagse georganiseerde fietsreis.

De eerste twee dagen kunnen we nog genieten van het asfalt zodat het tempo lekker hoog ligt, vooral ook omdat we wind mee hebben. Zo lukt het met niet al te veel moeite de eerste dag ruim 150 km af te leggen en aan te komen bij het ‘Staatslogeergebouw’ in Totness in de kokosprovincie Coronie. De volgende dag vervolgen we het traject naar Nieuw Nickerie in het uiterste westen van Suriname. Kaaimannen (ook waterkip genoemd vanwege de gelijkenis in smaak) liggen op de oever van een brede trens (sloot) te zonnen  Er is een luxe hotel voor ons gereserveerd, maar erg lang kunnen we er niet van genieten. Om half 12 ’s avonds gaat er een dekschuit naar Apura, zo’n 150 km stroomopwaarts gelegen aan de Corantijnrivier (grensrivier tussen Guyana en Suriname). De reguliere lijndiensten liggen stil, zodat dit onze enige ‘last minute-mogelijkheid’ van transport is. We knopen onze hangmatten op onder het afdakje achter de stuurhut. De herrie van de dieselmotor en bijbehorende stank vanwege een lekke uitlaat nemen we op de koop toe want we hebben weinig keus. De oordoppen bieden weer eens soelaas. De deining van het schip wordt het eerste deel verergerd doordat we ons vlakbij zee bevinden. Af en toe botsen we in onze hangmatten hardhandig tegen elkaar aan. De volgende dag komen we in de voormiddag aan in Apura. Onderweg wordt nog een Guyanees dorp aangedaan om een vrouw van indiaanse afkomst af te zetten. Verder zien we voor de tweede maal een zeldzame harpijarend in een boom aan de rivieroever.

Bij het guesthouse in Apura, dat ooit een bruisend goudzoekersdorp was, kunnen we onze hangmatten ophangen onder een palmbladeren afdak. Apura is nu een ingeslapen dorp, er is nauwelijks activiteit meer. De plannen waren groots: miljoenen guldens zijn bijvoorbeeld geïnvesteerd in een spoorlijn van ruim 100 km ten behoeve van een gouddelvingsproject. De lijn is nooit in gebruik genomen. Een Chinese houtkapmaatschappij vormt momenteel de enige vorm van activiteit.

De volgende dag beginnen we vroeg aan onze tocht richting de Blanche Marie watervallen. De eerste 12 km worden we op enkele honderden meters afstand gevolgd door de hond van het guesthouse. Het dier kijkt ons zielig aan. De boodschap is duidelijk: hij zoekt een nieuw baasje en waarschijnlijk ook een nieuw dorp.  Gelet op het laatste kunnen we hem daar niet helemaal ongelijk in geven.

Een prachtig uitzicht over de smalle Nickerierivier hebben we vanaf de brug  op 30 meter hoogte. Het geplons ver beneden ons blijkt tot onze verrassing een reuzenotter te zijn die als een zeehond door het wat glijdt. Via een pad lukt het ons bij de rivier te komen om het dier beter te kunnen observeren. Even duikt het nieuwgierig op minder dan 10 meter voor ons op met zijn kop en witte borst hoog uitgestoken boven het water. Hij kijkt ons aan, en duikt weer onder om 150 meter verderop weer tevoorschijn te komen. We nemen maar aan dat onze aanwezigheid niet op prijs gesteld wordt en vervolgen onze route.

De laatste 15 km nauwe zandweg met hoog gras leiden ons naar de Blanche Marie watervallen in het Bakhuisgebergte, een stukje paradijs in het regenwoud. Een prachtig traject, we zien veel dieren zoals zwarte spinapen,  zijdeapen en agouties, hier ‘boskonijn’ genoemd. Enkele pittige klimmen van 10% en zwaarder moeten bedwongen worden, maar vroeg in de middag zijn we al op de bestemming aangekomen. Carmen, een Javaanse dame van in de 30, stelt zich voor als de beheerster.Ze draagt ons een warm hart toe omdat we per fiets zijn aangekomen en laat ons op een uiterst gastvrije wijze onze hangmatten opknopen op haar terras aan de rand van de heldere Nickerierivier. We blijven twee nachten. Voor Ronnie staat de volgende dag in het teken van vissen. Met een blinker lukt het hem twee piranha’s te vangen uit de -vanwege de afgelopen droge periode- 50 cm diepe rivier. De bloeddorstige beesten zijn ruim 30 cm, zwart van kleur met vuurrode ogen en hebben tanden als scheermessen van zo’n halve cm. Na deze twee trappen de soortgenoten er niet meer in. Even later zit de blinker vast aan waarschijnlijk een rots. Ronnie volgt de draad en net op het moment dat hij de blinker wil losmaken krijgt hij twee korte stroomstoten: een sidderaal blijkt onder een rots verscholen te zitten en duldt geen indringers. Weer een ervaring rijker. Deze palingen die tot 150 cm lang worden verlammen prooivissen met een stroomstoot die ze met een orgaan op kunnen wekken. De Anyumara, de meest spectaculaire roofvis van de Surinaamse jungle bijt die middag helaas slecht. Deze vis ziet er minstens zo angstaanjagend uit als de piranha: pikzwart met lange puntige tanden en kan een gewicht van 15 kilogram bereiken. Hij jaagt vanuit zijn hol onder de rotsen in de stroomversnellingen. Het is echt een sensatie om in dit gebied te vissen terwijl er ondertussen blauwgele en rood groene ara’s met veel kabaal overvliegen. We nemen afscheid van onze gastvrouw, ze stopt ons een geroosterd brood toe voor onderweg.

Na 90 km bikkelen door bergachtig gebied met een constant gesloten bladerdak boven ons hoofd, bereiken we de Masoniakreek, een geschikte plaats om te overnachten. Ons drijfnet levert het ontbijt de volgende morgen: piranha’s sudderen even later in de pan. Enkele waren groot genoeg om gevild te worden, de rest is weer teruggezet in de rivier. Ze hadden zich overigens flink vastgewurmd en veel draden doorgebeten. We kunnen beperkt eten meenemen voor deze jungletrip van 10 dagen, dus elke aanvulling is welkom.

We bereiken Witagron de volgende dag, hier leven boslandcreolen van de kwintistam. Maar eerst moeten we de 400 meter brede brug over de Coppenamerivier oversteken. Dit is een onderneming op zich omdat alleen het stalen frame nog intact is. Een groot deel van de dwarsliggende houten planken ontbreekt, zodat je over de grote gaten heen moet stappen al balancerend op de stalen balken van 5 cm breed. Niet te veel naar de 6 meter lager liggende rivier kijken. Ook auto’s en vrachtwagens steken deze brug over. De passagiers moeten de planken zo leggen dat de wielen niet in een gat vallen. Dezelfde avond zakt er een vrachtauto met een achterwiel in een gat. Het kost ze uren om het gevaarte omhoog te liften met een krik.

Stinasu, de stichting voor natuurbehoud in Suriname heeft hier een onderkomen, omdat vanaf hier boten vertrekken naar het gebied van Raleighvallen, een beschermd gebied dat door deze organisatie beheerd wordt. De volgende dag vertrekt tegen de middag de korjaal (een smalle motorboot). Er is inmiddels ook een groepje Nederlanders aangekomen met wie we gezamenlijk opreizen. De vijftig km stroomopwaarts neemt een uur of 4 in beslag. Zo nu en dan moet er een soela (stroomversnelling) bedwongen worden.

Het gebied Raleighvallen ligt aan de Coppenamerivier op zo’n 150 km landinwaarts. Het bijzondere van deze rivier is dat ze geen bewoners heeft aan de bovenloop. Hiermee zou deze rivier uniek zijn in de wereld.  Het beschermde gebied Raleighvallen is populair bij vogelaars vanwege de verscheidenheid van vogels. Daarnaast is het kamp van Raleighvallen een goede basis om de verderop gelegen Voltzberg te beklimmen, een enorme granietrots van ruim 200 meter hoogte waarop onder andere bolcactussen groeien. Een zeldzame vogel die aan de voet van deze berg voorkomt is het rotshaantje, een oranje vogel ter grootte van een duif met hanenkam. De mannetjes zijn beroemd om hun paringsdans.  Drie nachten brengen we door in het gebied. We zien veel dierleven waaronder polsdikke sidderalen van meer dan meter lengte. Ze zijn goed te zien in het ondiepe heldere water van 30 cm diepte.

De dagen vliegen voorbij en voordat we het weten fietsen we al weer verder en komen we in de namiddag aan bij Sparikreek (genoemd naar de voorkomende ‘spari’, een rog), een ideale plaats om een kamp te bouwen. Terwijl we de hangmatten opknopen komt er een man naar ons toe. Hij stelt zich voor en verzoekt ons vriendelijk of we ons willen ‘baden’ buiten de rivier. Hij woont in een van de hutten met enkele andere mensen van indiaanse afkomst en gebruikt het vanwege de droogte stilstaande rivierwater als drinkwater. Hij laat een emmer voor ons achter zodat we water uit de rivier kunnen halen.

Hij vertelt ons dat hij die middag een pingo (wild zwijn) heeft geschoten. We vragen hem of hij een klein stuk pingo in de verkoop wil doen. Hij geeft ons nota bene een kilogram van dit ‘bushmeat’. We braden het boven ons kampvuur en hebben genoeg om het de volgende dag  ook als ontbijt te gebruiken.

Onze bestemming voor de volgende dag is Zanderij, waar zich ook de luchthaven bevindt.  Onderweg zien we in een zijrivier van dichtbij een familie visotters spelen. We bereiken na 90 km Zanderij: roodgekleurd door het opstuivende stof van passerende trucks. De verfrissende douche heeft een dusdanig grote aantrekkingskracht op ons dat we de laatste 50 km asfalt er op onze laatste adem maar bij nemen!
back

Verslag 19 Suriname - Guyane

Om half vier in de morgen gaan er op diverse plaatsen in Paramaribo wekkers af, zo ook bij ons. Douchen, ontbijten, de terreinwagen inpakken met de bagage voor de komende twee dagen. En dan vertrekken we samen met Oswald en Liesbeth richting het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling waar de start van de sponsorfietstocht zal gaan plaatsvinden. Oswald, een oude kennis van Ronnie , bestuurt de uit de kluiten gewassen pick up die door zijn bedrijf ter beschikking is gesteld als volgauto. Om vijf uur is dat het dan zover: directeur Poelsingh van het ministerie van Sportzaken geeft het startsein en 40 fietsers vertrekken richting Zanderij, waar het asfalt overgaat in lateriet, rode gravel. De tocht zal uiteindelijk leiden naar Pokigron, een bosnegerdorp in het oerwoud, 185 km zuidwaarts. Ronnie heeft de tocht samen met de Surinaamse Wielrenunie op poten gezet. Het is nog pikdonker als we vertrekken. Rode knipperlichtjes zijn uitgedeeld om de fietsers nog enigszins op te laten vallen in de duisternis. De volgauto’s beschikken over zwaailampen om het geringe verkeer op dit tijdstip te attenderen op de fietsers. 37 heren en 3 dames hebben zich ingeschreven voor deze monstertocht. 30 hiervan hebben Pokigron als eindbestemming gekozen en de andere 10 een vroegere bestemming, wat ook als mogelijkheid geboden werd.  Na Zanderij, 45 km, pauseren we even om een krentenbol te eten en water bij te vullen. Daarna begint het echte werk: gravel, zand en stenen. Heel wat kuilen, geulen en keien moeten ontweken worden. Daarnaast zitten er behoorlijk wat stukken klimwerk in het parcours. Vanwege deze factoren valt de groep al snel uit elkaar, ieder fietst zijn eigen tempo. De eerste splitsing wordt bereikt: Kraka. We wachten tot we weer compleet zijn en vervolgen richting Berg en Dal. De groep Surinaamse wielrenners kan zich onmogelijk inhouden en begint het tempo op te voeren uiteraard om elkaar onderling uit te dagen. Ook Ronnie laat zich verleiden en sprint mee berg op. Na 25 km komen we bij de volgende stopplaats aan: Berg en Dal. Het grootste deel van de wielrenners was niet bestand tegen de combinatie van gravel en klim en moest al vroegtijdig ‘lossen’. Bij Berg en Dal spreken we wijselijk af dat we het volgende traject ‘rustig aan doen’: we moeten nog 100 km. We wachten op de groep veteranen van voornamelijk Nederlandse en Belgische afkomst. Stuk voor stuk duursporters die hun eigen tempo fietsen en zich niet laten opjutten door de groep losgeslagen jonge honden. Na Berg en Dal komen we aan in Brownsweg, waar een rustpauze is. De volgende stop is 40 km na Brownsweg. De helft van het groepje wielrenners heeft de fiets ingeruild voor de bezemwagen. De veteranen bikkelen door, zich niets aantrekkend van het stof en de felle zon. Iedereen zit onder het rode stof dat in grote wolken opwaait wanneer er een truck passeert. Stofkapjes bieden enigszins uitkomst. Tegen de klok van vier komen we afgemat (twee wielrenners en Ronnie) aan  op de plaats van bestemming. Alle gewrichten doen pijn door het opvangen van de stoten van het ruwe wegdek. Het eerste wat we doen is de rivier induiken. De laatste fietsers komen tegen vijf uur uitgeput binnen. 9 man hebben de tocht uitgefietst, een mooie prestatie.  De sponsorbrief wordt overhandigd aan het schoolhoofd: er is ruim 1000 Euro ingezameld om lesmateriaal aan te schaffen voor de 160 kinderen van Pokigron en omliggende dorpjes.

Met ´pijn in het hart´ verlaten we ons huurhuis in Suriname en nemen we afscheid van onze Hindostaanse buren met wie we veel contact hebben gehad gedurende ons verblijf. Via Moengo waar we overnachten bij een gastvrije bosnegerfamilie, maken we de oversteek van de Marowijnerivier per motorbootje naar de Franse kant, oftewel Frans Guyana. Dit land is feitelijk een departement van Frankrijk en vormt zodoende onderdeel van de Europese Unie. De knop moet weer even omgezet worden, want we moeten weer rechts fietsen. Dit kost gelukkig weinig moeite. Als we ons melden bij de afdeling immigratie, krijgen we een dikke envelop aangereikt doorr de dienstdoende beambte. De afzender blijkt een Franse gendarme en tevens fietsliefhebber te zijn. Hij is ingelicht door de Surinaamse wielrenunie. Leuke binnenkomer, de envelop bevat onder andere landkaarten en algemene info die we goed kunnen gebruiken. Frans Guyana is een volslagen afwijkend land ten opzichte van de buurlanden. Je hebt hier echt het gevoel in Frankrijk te zijn: bouwstijl van de huizen, stokbrood, wijn en de franse kaas geven je niet het gevoel dat je je in het Caribisch gebied bevindt. In Saint Laurent bezoeken we de ruines van de gevangenissen die ruim een halve eeuw geleden gesloten werden ten tijde dat Frans Guyana nog de functie van strafkolonie had van Frankrijk. Indrukwekkend om te zien onder welke verschrikkelijke omstandigheden de gedetineerdeerden hier geleefd hebben. Een inscriptie in de vloer van cel 73 getuigt nog van het feit dat Papillon (bekend van het boek en de film) hier ooit heeft vastgezeten. Vanuit ons ´carbet´ (een hut van palmbladeren die je in diverse indianendorpen kunt huren ) fietsen we naar het strand van Les Hattes. Het in het uiterste noordwesten gelegen indianendorp ligt aan het strand van de monding van de Marowijnerivier die uitmondt in de Atlantische Oceaan. Ook hier hangen we tegen het einde van de middag onze hangmatten op in een carbet die we huren bij een indiaanse familie. De vrouw blijkt zelfs Nederlands te kunnen spreken. Dit vanwege het feit dat ze afkomstig is uit Galibi, een indianendorp aan de overzijde van de rivier op Suinaams grondgebied. Les Hattes is voor ons de basis om op zoek te gaan naar de reusachtige lederschildpad die hier het strand op komt om ruim na zonsondergang haar eieren te leggen. Uren lopen we langs het strand en net op het moment dat we het op willen geven en weer terug willen keren naar onze carbet, zien we een kolossaal gevaarte druk bezig een kuil te graven in een hoger gelegen stuk strand. Het valt haast niet op in de duisternis, maar het is ons gelukt, we hebben er een gevonden: een lederschildpad van bijna twee meter lang! Ze kunnen een gewicht bereiken van ergens tussen de 500 en 1000 kilogram. We nemen lekker de tijd om het dier te observeren. Kennelijk is het strand nog te nat: ze laat de kuil voor wat het is en kruipt nog verder naar boven om een nieuwe poging te wagen. Om de paar bewegingen moet ze weer adem halen, ze komt nauwelijks vooruit met het logge lijf. Als we nog verder zijn gelopen en weer terugkeren is ze net bezig de laatste eieren te leggen.  Na twee dagen komen we aan in Kourou, waar het huidige spacecenter is gevestigd waar de Ariane-raketten gelanceerd worden. Sinds de crash van de laatste lancering zijn er geen nieuwe lanceringen gepland, pech dus, want normaal gesproken kun je de lanceringen op afstand volgen. Een andere mooie uitstap van Kourou zijn de Iles du Salut. Deze drie eilanden waren vroeger het decor van de zwaarst beveiligde gevangenissen uit de Franse geschiedenis. Vooral het spraakmakende Duivelseiland is bekend uit het verhaal van Papillon. Ontsnappen zou onmogelijk zijn vanwege de strenge beveiliging, de sterke stroming en de haaien rondom de eilanden . Op Ile de Royale zijn nog veel ruines te zien van de vroegere gevangenissen. Vooral de cellen van eenzame opsluiting (wekenlang zonder licht) en de dodencellen (als voorportaal van de guillotine) maken indruk. Van alle ellende die zich hier afspeelde is nu weinig meer te merken.  De eilanden zijn nu begroeid met palmbomen, de zee is prachtig helder. De naar adem happende schildpadden vlak bij de rotskust en de capucijnapen die rondslingeren in de bomen geven nu meer het beeld van een idyllisch tropeneiland.

Als we aan vaste land komen blijkt tot onze schrik dat van beide fietsen de voorwielen zijn gestolen. Uitgerekend in het duurste land van Zuid Amerika moeten we investeren in nieuwe voorwielen. Maar gelukkig is het gebleven bij de voorwielen en staat de rest er nog, zodat we de volgende dag verder kunnen, nadat we bij de plaatselijke rijwielhandel twee nieuwe wielen hebben gehaald. Via Kourou vertrekken we richting Saint Georges de Oyapock de grensplaats met Brazilië. Het traject wordt steeds zwaarder vanwege de toenemende steile klimmen die we moeten overbruggen. We overnachten in het dorpje Cacao in de jungle. De bergkam die we oversteken geeft een fabuleus uitzicht over het tropische regenwoud. Cacao is bijzonder vanwege het feit dat de inwoners uit Laos afkomstig zijn (voormalig vluchtelingen). Hele actieve mensen die zich voornamelijk bezig houden met landbouw en fruitteelt. Via Laos komen we aan in Regina, geen hotel te vinden. We worden verwezen naar de overkapping bij de rivier.  Het ziet er niet echt veilig uit gelet op de vele illegale Brazilianen die er rondhangen. We fietsen het dorp uit en installeren ons in een een oude verlaten schuur vlak bij een rivier. Van niemand last. We koken een simpl maal en kruipen vroeg de hangmat in. De volgende morgen steken we vanuit Regina de rivier over per boot om ons te begeven in niemandsland. De weg naar St. Georges bestaat nog maar enkele jaren en was niet lang geleden nog een pad dat opengekapt was door het Franse vreemdelingenlegioen. In St. Georges heeft men nog steeds een trainingskamp.  We zetten onze tocht voort door dichte jungle. Beide kanten van de weg worden tijdelijk bewoond door Braziliaanse illegalen die wachten op het goede moment voor de oversteek. Ze overnachten in hangmatten onder plastic afdakjes. De stank van urine en uitwerpselen is niet te harden.  De volgende 90 kilometers door regenwoud bestaan uit relatief goed gravel wegdek en af en toe een stuk asfalt.  In minder dan een jaar tijd zal de verbinding met Brazilië een feit zijn wanneer ook de brug bij Regina een feit is. In St. Georges aangekomen worden we verwelkomd door een enthousiaste gendarme en tevens fietser (toeval). We krijgen onze stempel en een heerlijke bak sterke koffie die er goed ingaat nadat we de laatste plensbui over ons heen gehad hebben. 10 minuten met de motorboot en we komen aan in Brazilie.
back

Verslag 20 Brazilie

We meren aan in Oyapock, een goudzoekersdorp. Wat een verschil met Frans Guyana! Overal muziek op straat, de straten zitten weer vol met kuilen en de mensen zijn minder afstandelijk dan in Frans Guyana. Ondanks dat Oyapock vanwege de afgelegen plaats twee keer zo duur is als de gemiddelde prijzenstandaard, is het een verademing vergeleken bij Frans Guyana. Je zou bijna denken dat de Franse Frank daar een op een is overgegaan in de Euro. Iemand rekent ons voor dat bepaalde artikelen  in Frans Guyana 12 keer zo duur zijn als in Brazilie. We kiezen ervoor om de 600 km van Oyapock landinwaarts naar Macapa in Brazilie per bus aft e leggen. De aanhoudende regen en het feit dat het traject gevaarlijk is (vanwege roofovervallen) zorgen voor deze keuze. De fietsen gaan in het laadruim en we vertrekken. Even buiten het dorp stoppen we: controle. Zwaar bewapende militairen  geven het bevel dat iedereen moet uitstappen (controle op wapens en drugs). Mannen en vrouwen worden in twee groepen gescheiden. We worden intensief gefouilleerd, met name de mannen (handen op je hoofd). We krijgen het idee dat we zware criminelen of guerillas zijn. Heel behendig werkt een militair Ronnie´s Franse opinel-wijnmes uit zijn broekzak. Hij klapt hem open en kijkt afkeurend als hij het formaat en de scherpte beoordeelt. Hij neemt het moordwapen in beslag. Iemand wenkt Ronnie dat er wat met de fietsen aan de hand is. Ronnie loopt naar het bagageruim: de machete is verwijderd uit de bagagedrager! Ook in beslag genomen! Nadat iedereen gefouilleerd is praat Ronnie met de opperbevelhebber en legt hem uit dat we het wapentuig gebruiken om te kamperen in de bush bush. Hij begrijpt het en we krijgen de spullen terug onder voorwaarde dat we tijdens de reis goed (uit het zich) opbergen. Hij legt het  ook uit aan de militair die het in beslag genomen heeft, die kijkt op zijn beurt weer pips: waarschijnlijk had hij wel belangstelling voor het zakmes.   De reis gaat verder, al hobbelend vervolgt de bus het traject.  Inmiddels is het al donker als we stil komen te staan in de beklimming van een stijle (15%) heuvel. Iedereen stapt uit en de chauffeur probeert het nog eens. De mannen helpen duwen, maar dat is niet zonder risico: de bus glibbert regelmatig terug op de glibberige bodem. Uiteindelijk laat hij zich terug zakken naar de voet van de berg en neemt een flinke aanloop om de 15% klim te overbruggen, het lukt hem op het nippertje. Iedereen juicht, we kunnen verder. De volgende morgen staan we een uur of drie stil. De bus voor ons (we reden met twee bussen) zit tot zijn achterassen in de modder. Een modderveld van 100 meter moest gepasseerd worden, zonder succes. Een kleine vrachtauto is gekanteld in de modderpoel, waarschijnlijk de diepte onderschat. Inmiddels staan er ook een paar grote trucks aan de andere kant te wachten om te kunnen passeren. Het lukt onze busschauffeur om de voorgaande bus er met een kabel uit te trekken. Ze proberen het nog eens nu met een langere aanloop. Met grof geweld en vol gas scheurt de eerste bus door de diepe bagger. Het is puur op snelheid dat hij er doorheen komt, de voorbumper raakt uit zijn voegen en schuurt grote plakken modder mee. Ook onze bus waagt de aanloop en rijdt vol gas door het modderbad, even lijkt het of hij gaat kantelen omdat hij de gekantelde vrachtauto moet ontwijken. Ook de vrachtwagens slagen er uiteindelijk in om er door te komen, wat en spektakel! Nu begrijpen we inderdaad waarom alles iets duurder is in Oyapock. Dit is de enige verbindingsroute. Iedereen stapt weer met z´n moddervoeten de bus in, het is een grote zwijnenstal geworden in de bus. Na 23 uren bereiken we Macapa.  Vanaf Macapa gaat alles verder per boot, want we bevinden ons in het Amazonegebied. Het is of vliegen of varen, want grote delen van het traject dat onderdeel vormt van de Transamazonica (de West-Oostverbinding door het Amazongebied) is in de loop der jaren weggespoeld. De volgende dag schepen we ons en de fietsen in in een typische Braziliaanse passagiersboot. Het onderdek ligt vol met bananen het bovendek hangt vol met hangmatten. Onze bestemming is Santarem. Via een zijtak komen  we uit op ´s werelds grootste rivier: de Amazone. Twee etmalen varen we om de 500 km af te leggen. Omdat we stroomopwaarts varen duurt het langer, maar vanaf het dek heb je een beter zicht omdat de kapitein de boot vlak langs de oevers stuurt omdat hier de tegenstroming het minst sterk is. Zo zie je heel wat van het leven dat zich hier afspeelt. Af en toe een klein dorpje en soms een verdwaald houten huisje met wat koeien. Voor het overige alleen bruin en groen, oftewel water en bomen. Behalve reigers, ijsvogels en overvliegende papegaaien zie je af en toe een zoetwaterdolfijn naar lucht happen. Vissersfamilies haken soms hun kleine boot aan om hun vangst aan te bieden.

Via Santarem, waar we twee dagen blijven, varen we verder naar Manaus de hoofdstad van de Amazone (ruim 1 miljoen inwoners) en ooit het centrum van de rubbertappers. Manaus heeft behalve het oude indrukwekkende operagebouw niet zoveel te bieden, behalve uitstapjes in het amazonewoud.  We leggen contact met Bettie Smit, een Nederlandse ontwikkelingswerkster die al 30 jaar in dit gebeid actief is. Begin jaren tachtig is ze veel in de Nederlandse pers verschenen met haar opzienbarende hulpacties die ze verrichtte bij afgelegen indianendorpen waar ze alleen op af ging. Ze is erg verrast en nodigt ons gelijk uit dezelfde middag met haar mee te gaan naar een van de twee opvangcentra die ze samen met haar man, Jose de Pimenta, beheert om aan drugs verslaafde straatkinderen een nieuwe toekomst te bieden. Beide gebouwen liggen ver buiten de stad om de invloeden van buitenaf te beperken. We bezoeken het meisjeshuis waar meisjes en jonge moeders moeten afkicken. Overdag krijgen ze scholing, houden ze zich bezig met groente planten en andere zinvolle bezigheden. Ondertussen worden ze geholpen hun zelfvertrouwen weer terug te krijgen. We merken al snel dat Bettie bijna de rol van moeder heeft gekregen, gelet op hoe ze benaderd wordt door de kinderen. Ook het jongensverblijf, 80 km van de stad, wordt ons de volgende dag getoond. Alles is perfect opgezet, er is voldoende afleiding voor de jongens en je merkt dat ze het er naar hun zin hebben. We zijn erg onder de indruk van hun levenswerk en de bijdrage die ze leveren aan hulploze jongeren, ondanks het feit dat ze nog steeds tegengewerkt worden door de Braziliaanse regering.  De laatste avond brengen we door met een Braziliaans stel en een Zwitser die we op de boot hebben leren kennen. We bezoeken een Forro-feest (spreek uit: foho), de typisch Braziliaanse dansmuziek. De Brazilianen dansen of het leven ervan af hangt.  Ook wij worden uiteraard vriendelijk maar dringend verzocht mee te doen. Wat voel je je dan plotseling een stijve Hollander tussen die elastisch bewegende mensen.

We bereiden ons voor op de bootreis naar Porto Velho. Het is chaos en hectiek rondom de passagiersboten van Manaus. Het is onduidelijk welke boot gaat vertrekken, twee Amerikaanse motorrijders zitten al 30 uur op een boot in de veronderstelling dat hij deze avond nog uit zal varen. Het is onderhandelen en nog eens onderhandelen, want de prijzen lopen ver uiteen. Een Duits stel zegt een scherpe prijs te hebben bedongen van 110 Reais, ofwel 37 Euro (ze mochten het niet doorvertellen van de bootman, de normale prijs ligt op 150 Reais). Na wat afdingen krijgen we een bod van 75 Reais (25 Euro).  We vertrouwen het niet helemaal vanwege de lage prijs.  Het zal niet de eerste keer zijn dat iemand met een vals plaatsbewijs inscheept en alsnog moet betalen. We verzoeken de ticketverkoper de boot en de kapitein aan te wijzen, daar heeft hij geen probleem mee. In het bijzijn van de kapitein kopen we de tickets: enkele reis naar Porto Velho, 4 etmalen varen, maaltijden inbegrepen.

Dezelfde avond varen we, iedereen heeft uiteindelijk een verschillende prijs betaald, zo gaat dat in Brazilie.  De motorrijders schepen uiteindelijk in op dezelfde boot als wij. Na uiteindelijk vijf dagen varen en elke dag rijst, bruine bonen en gekookte kip gegeten te hebben, komen we aan in Porto Velho. Blij weer vaste grond onder de voeten te hebben. In totaal hebben we tien dagen varen en 1500 km afgelegd over de Amazone. Op zich geweldige ervaring, maar eenmaal in je leven is genoeg!

We zakken via Cuiaba af naar Pocone waar de Transpantaneira, een 150 km lang zandweg, leidt naar het hart van de Pantanal. De Pantanal, wat in het Portugees letterlijk ´moeras´ betekent, is een gebied ter grootte van de Benelux en ligt deels in het grensgebied met Bolivia en Paraguay. Het immense gebied bestaat grootendeels uit waterlandschap met af en toe een stuk woud. Vijf dagen lang verkennen we het gebied en leggen ruim 350 km af. We fietsen in twee dagen naar het eindpunt Porto Jofre, een visserskamp, waar we een dag blijven en kamperen.  Onderweg er naar toe moeten er 126 gammele houten bruggetjes overgestoken worden. Een van de spectaculaire dieren in het gebied is de Jacare, een kaaiman die ruim tweeenhalve meter wordt. Ze zijn makkelijk te zien en je kunt ze tot enkele meters afstand naderen. Er leven miljoenen van deze imposante reptielen in de Pantanal. Ook de reuzenooievaar met een vleugelspanwijdte van 3 meter, de Jabiru, maakt indruk. Deze zwartwitte vogel met rode nek is hier het hele jaar door te vinden.  Het blijkt aan het einde van de eerste dag moeilijk te zijn een geschikte plaats te vinden om onze hangmatten op te hangen. Je kunt nergens van de weg af, omdat de weg omsloten wordt door water. Een inham bij een brug biedt uiteindelijk ruimte om de hangmatten op te knopen. Ze hangen tegen de waterrand aan, maar we hebben geen keus. Nemen een bad in het heldere stromende water, nadat we de omgeving hebben geinspecteerd op kaaimannen en anaconda´s (de reuzenwurgslang die hier voorkomt). We koken een simpel maal en gaan vroeg de hangmat in, want de muskieten beginnen ons flink te terroriseren wanneer de zon onder is gegaan.  Gertrude kan de slaap niet goed meer vatten als ze ´s nachts wakker schrikt van geplons en gegrom van kaaimannen die zich binnen een afstand van twee meter van ons ophouden. We pakken ´s morgens om half vijf al de spullen in om verder te fietsen. Alles moet snel want zwermen muskieten belagen ons. Na een kwartier zijn we zover en fietsen we met maanlicht verder. Het tempo ligt niet hoog, want je moet je concentreren op stenen en kuilen in de weg.  Na een half uur zien we een schim voor ons uitlopen op veertig meter afstand. Het dier ziet ons en begint te versnellen. Bij een bruggetje  springt het dier het water in en laat een luide grauw horen. Ons vermoeden wordt werkelijkheid: het was een puma! Terwijl we over de zandweg verder ploeteren en het inmiddels al lang licht is, wordt onze aandacht getrokken door grote Hyacinthara´s die in een boom zitten te schetteren. En kort hierna zien we voor het eerst kuddes capybara´s (´swerelds grootste knaagdier ter grootte van een varken) van dichtbij langs de oever aan het water. Met een luide blaf duiken ze massaal het water in als we passeren, ze kunnen lange tijd onder water blijven. Tientallen kuddes passeren we op deze manier Het bijzondere is dat ze niet bang zijn voor sporadisch passerende auto´s, maar aan fietsers zijn ze kennelijk niet gewend. Na enkele uren nadat we weer eens een brug gepasserd zijn, roept Gertrude plotseling ´stop!´. Er staat een dier tegen in de bocht aan de rand van de zandweg naar ons te kijken. We staan verstijfd op dertig meter afstand en kijken terug. Na ongeveer tien seconden steekt het dier de weg over. Het is een grote, prachtig gevlekte, jaguar. Hij heeft het kennelijk ook niet op fietsers en verdwijnt al plonsend het moeras in. Met verhoogde hartslag gaan we verder. Het zien van een jaguar in het wild en dat op klaarlichte dag is een zeldzame ervaring. De jaguar kan een gewicht bereiken van 160 kilogram, de puma die aanzienlijk kleiner is, maar 70.

Via Porto Jofre keren we in twee dagen weer terug naar Pocone. Het was een geweldige ervaring om door de Pantanal te fietsen. Je ziet er veel makkelijker dieren dan in de regenwouden van Zuid Amerika omdat de omgeving ´open´ is. Daarnaast heeft de Pantanal een van de hoogste dichtheden van wildleven ter wereld.
back

reisverslag 21Brazilie-Argentinie

We verlaten de Pantanal en komen aan in Braziliaans Bonito. Hier maken we een excursie met een ander groepje reizigers en hijsen ons in een wetsuit om even later met snorkel en duikbril stroomafwaarts te drijven en te genieten van het oderwaterleven in een kraakheldere rivier. We worden omringd door grote zoetwatervissen waarvan de Dorado, een roofvis van ruim een meter en een enorme bek, de meeste indruk maakt. Het water heeft een hoog mineraalgehalte dat de helderheid veroorzaakt.  Dezelfde middag gaan we even aan bij een nabijgelegen meertje waarin enkele grote kaaimannen zouden zitten. En inderdaad, we zien ze al op afstand. Als we dichterbij komen zien we ook enkele jonkies van rond de 30 cm. Normaal als je in de buurt komt van de grote kaaimannen, verdwijnen ze snel het water in. Maar deze keer is het anders, uit het water komt langzaam de logge moeder op ons af gezwommen. We staan met zn vijven toe te kijken hoe het dier ons nadert. In plaats van weglopen wachten we onbewust op de verrassing die gaat komen. Totdat het dier plotseling, nadat het even stil heeft gelegen, met sissende geluiden en geopende bek het water uit raast. Ja, dan blijf je natuurlijk niet staan toekijken. Met zn allen jumpen we naar achteren. Geen slachtoffers, de kaaiman staakt tijdig de aanval. Was deze waarschuwing voldoende? We denken het wel en laten het dier met rust  en vertrekken naar een andere bijzondere bezienswaardigheid in de buurt van Bonito: de Aragrot. Een loodrecht gat in de grond van 80 m diepte en 100 m doorsnee is de nestplaats van honderden roodgroene ara’s. Het zou de enige plaats ter wereld zijn waar een dergelijke hoeveelheid van deze prachtige vogels zich verzamelt.

Het vervolg van onze tocht leidt langs honderden kilometers saai landschap. Het enige dat je ziet is een kaarsrechte weg die voert door kilometers landerijen met katoen, graan en gras. Slechts een keer wordt onze aandacht afgeleid door een bijzonder dier, een reuzenmiereneter die langs de kant loopt te snuffelen terwijl grote trucks vlak langs het dier razen. We maken wat foto’s en dirigeren het dier het graanveld in waar het veiliger is.  Andere dieren die we zien zijn levenloze halfverteerde koeien die achteloos op een verzamelplaats langs de weg zijn gedumpt. We hebben nog ruim 1000 km saai landschap voor de boeg en besluiten een bus te nemen en komen de volgende dag in in Foz do Iguazu, de stad die beroemd is om haar watervallen. Over een lengte van meer dan een kilometer storten honderden watervallen over een hoogte van 60 meter naar beneden. Dit natuurverschijnsel is een van de mooiste die we tot nog toe gezien hebben. De Argentijnse kant van de watervallen (ze vormen de grens tussen Brazilie en Argentinie) vormt het hoogtepunt omdat je hier via een brug vlak bij de ‘Garganta do diablo’, de keel van de duivel, komt. Een enorme hoeveelheid water raast met geweld de diepte in en laat een grote wolk water achter die van kilometers afstand te zien is en een mooie regenboog veroorzaakt tegen het heldere zonlicht. De watervallen vormen onderdeel van een nationaal park met tropisch regenwoud. Er komen erg veel soorten vlinders voor die met z’n velen neerstrijken op onze handvatten om het opgedroogde zout van onze fietsinspanningen op te nemen.

We kachelen verder en de grens met Paraguay wordt overgestoken over een brug van meerdere honderden meters. Het is een grote chaos van auto’s, brommers en motoren die door elkaar crossen van de ene naar de andere kant. Aan de andere zijde ligt namelijk het Paraguayaanse Ciudad del Este, een belastingvrije zone waar alles goedkoper dan goedkoop is. Dit trekt dus veel mensen uit de omliggende landen aan.  We melden ons bij de immigratie om ons paspoort met een nieuwe stempel te verrijken. Alles gaat goed ondanks dat dit land zich in de top drie van corrupste landen ter wereld bevindt. We steken de onderste punt van het land door en komen al na drie dagen aan in Argentinie, Posadas. Sinds de Pantanal is het afgelopen met het tropische klimaat. Omdat het hier winter is, hebben we extra kleding aan geschaft. Ook de handschoenen en de muts worden aangekocht als we ons in Tucuman in het noorden van Argentinie bevinden. Via deze plaats gaan we namelijk de Andes in, nu gaat het echte werk beginnen: hoogte, kou en onverharde wegen.

Veertien maanden tropenweer heeft er kennelijk voor gezorgd dat we niet meer ‘antivries’ zijn. Terstond worden we dan ook getroffen door een stevige griep. We doen dus even rustig aan om onze immuniteit weer op het gewenste niveau te brengen. Dan beginnen we weer en gaan langzaam de Andes in. We starten op 400 meter boven zeeniveau om uiteindelijk uit te komen op het tienvoudige.  Uiteraard zal de overbrugging gelijdelijk gaan om het risico op hoogteziekte te beperken. In het eerste dorp na Tucuman vertelt de dame van de groentestal ons dat Maxima in verwachting is van een tweeling. ‘Ach, het zal wel’, denken we, ook in Argentinie hebben ze roddelbladen, waar Guillermo (de spaanse naam voor de kroonprins) en zijn egaa heel wat bladruimte toebedeeld krijgen. Maar een week later wordt ook in de Nederlandse pers de zwangerschap aangekondigd!

Via het prachtige Tafi del Valle gaan we verder richting Cafayate. De subtropische vallei verdwijnt langzaam en het wordt steeds bergachtiger. We komen over een pas van boven de 3000 meter. Een gevoel van euforie, want er ging 30 kilometer klim aan vooraf. En dat is nog maar het begin, want deze hoogte is voor Andesbegrippen niet meer dan een mollenhoop. Er staat een wit huisje waar een vrouw van indiaanse afkomst wat handwerk aan de man probeert te brengen. Een zwarte lama (de eerste die we zien) maakt het beeld compleet en laat zich zonder te spuwen fotograferen. Gertrude poseert trots met haar fiets op de achtergrond terwijl een bord het aantal meters ‘sobre nivel del mar’ aangeeft. Mijn fiets rust tegen het witte stenen huisje en ik kan het niet laten om de vrouw te vragen of haar zoontje van hooguit een jaar even op mijn fiets te laten poseren voor en foto. Ze zet het kleine Inca-nazaatje met de naam Walter boven op mijn bagage en laat hem daar zitten en laat hem zonder aarzelen los. Hij voelt zich kennelijk hevig in de steek gelaten want hij zet het op een brullen, maar blijft gelukkig bewegingsloos zitten. Hij kijkt weer vrolijk wanneer hij die twee maffe ‘gringo’s’ met een respectabel gangetje richting het dal ziet zoeven.

In Cafayate is het nog net warm genoeg voor druiventeelt. Hier worden in het zomerseizoen enorme hoeveelheden van deze vruchten verbouwd. Veel goede wijnsoorten komen uit deze streek. In Cafayate slaan we voor het eerst sinds lange tijd ons in Brazilie aangeschafte koepeltentje op. We waren immers gewend om in hangmatten te camperen. De camping is uitgerust met stevige betonnen barbecues. We kunnen de verleiding niet weerstaan om deze even uit te testen en niet veel later sist er een heerlijke argentijnse biefstuk boven het gloeiende hout. Vergezeld met een goede plaatselijke wijn kan de avond niet meer stuk. Geen last van de buren, want die zijn er niet: het is namelijk winter en dat zullen we dezelfde nacht aan den lijve gaan ondervinden.  Het kwik daalt tot een aantal graden onder nul, onze hyper lichtgewichtmatjes van 70 gram per stuk bieden onvoldoende isolatie, zodat we het tweede deel van de nacht bibberend  doorbrengen. ‘We moeten gewoon aan de kou wennen’ , spreken we elkaar moed in. Al fietsend is het wee stralend weer en zien we nog enkele Incaruines zoals die van Quilmes, ook bekend van het Argentijnse biermerk. Het zijn niet meer dan muren waar vroeger met behulp van houten palen daken opgebouwd werden. Maar toch de moeite waard in het mooie berglandschap met reuzencactussen van tegende de zes meter hoogte.

Ook de volgende nachten kamperen we, met muts op en sjaal om de slaapzak in. Het asfalt is inmiddels ingeruild voor onverharde wegen met veel los zand en keien. Maar dit vergeten we al snel, want de omgeving is adembenemend mooi. Van de ene kloof fietsen we de volgende canyon in. Steeds weer andere kleuren in het rotslandschap. Er is nauwelijks verkeer en de dorpjes worden steeds geisoleerder. Ondanks dat is er altijd wel een camping te vinden. Via Cachi fietsen we naar de mooie koloniale stad Salta via een bergpas op 3400 meter met fantastische uitzichten. We hebben nog zo’n 25 kilometer afdaling over gravel voor de rug. Het is een wirwar van haarspeldbochten en flinke stofwolken als we weer een vrachtwagen of een bus tegenkomen. Een van Gertrude’s zijtassen kan de schokken niet meer aan en ligt even later achter ons. Het bevestigingssysteem is afgebroken en daar word je uiteraard niet vrolijk van. Met een sjorband improviseren we wat, maar dit is verre van ideaal. In Salta sturen we een e-mail naar de producent Vaude in Duitsland. In Sucre Bolivia zullen we enkele weken later een pakketje met onderdelen aantreffen op het postkantoor dat ons kosteloos is toegezonden, goeie service.

Vanuit Salta bestijgen we het stalen ros richting de Boliviaanse grens. Via Jujuy en diverse tussenliggende dorpen komen we uit in Humahuaca op 3000m. Hier blijven we een dag op een camping. Gertrude neemt de tijd om alles weer even op orde te maken en ik heb het voornemen om naar het dorp Iruya te fietsen dat volgens het boekje 60 km verderop ligt. Het is ook wel weer eens lekker om zonder bagage te fietsen. Iruya is berucht om de route die ernaar toe leidt, de weg is namelijk enorm slecht. Na 25 km asfalt kom ik hier inderdaad achter. De onverharde weg naar rechts bestaat uit kuilen, grote en scherpe stenen. Berg op, berg af, het dorpje Iturbe door en verder langs afgelegen dorpjes bestaande uit niet meer dan 10 lemen huisjes en een piepklien kerkje.  De weg kruist ongeveer 6 maal een klein halfbevroren riviertje, maar het lukt om met droge voeten over te komen. Dan gaat een lange zware klim naar de Abra del Condor, de naam van een pas op 4000 meter. Je merkt het effect van de ijle lucht duidelijk, de ademhaling versnelt en je kunt de verleiding niet weerstaan om even je voet aan de bodem te zetten na een pittige 15% klim. Vlak voor de top zie je nog tekenen van bewoning in de vorm van kleien huisjes, waar indianen wonen. Ik vraag me weer af wat mensen beweegt om zich op deze hoogte te vestigen. Het is er koud, en er groeit behalve een enkele struik, taai gras en wat korstmossen niets. Boven aan de top aangekomen blijkt het nog 22 km afdaling te zijn naar Iruya dat 1500 meter lager ligt. Mijn teller geeft 55km aan en stel vast dat ik weer eens foutief ben voorgelicht door wat er geschreven is. Ik besluit Iruya te laten zijn voor wat het is. De 100 meter hoger gelegen top geeft een fantastisch uitzicht over een reusachtige kloof die naar het dorp leidt.

Onze tocht gaat verder via Tres Cruces en het stoffige dorp Abra Pampa waar we overnachten. De volgende morgen is het mistig en steenkoud, maar we bikkelen verder na onderweg toch nog even extra kleren te hebben aangetrokken. Uiteindelijk komen we met veel moeite en na 70 km tegenwind aan in La Quiaca de grensplaats met Bolivia en nemen we afscheid van het fantastische fietsland Argentinie.

In het volgende verslag: ‘s werelds grootste zoutmeren, gijsers op 5000 meter hoogte een groen en een rood meer boordevol flamingo’s.

back

Reisverslag 22 Bolivia

We maken de oversteek over een betonnen brug naar Bolivia en komen aan in Villazon.  Je ziet hier voornamelijk mensen van indiaanse afkomst, waarbij de vrouwen met hun wijde jurken en bolhoedjes het meest opvallen.  We schepen ons in in de trein en vertrekken dezelfde middag richting Uyuni. Langzaam tjoeken we voort door een mooi berglandschap. Het tempo ligt niet veel hoger dan wanneer we fietsen, maar toch een leuke onderneming om je hier per trein voort te laten bewegen.

Per vierwielaangedreven terreinwagen vertrekken we met een ander Nederlands stel, een Zwitser en twee meisjes uit Luxemburg. Vier dagen zullen we doorbrengen in niemandsland waar enkele van de meest spectaculairste gebieden van Zuid Amerika te zien zijn. De volgende morgen bereiken we vroeg in de morgen gijsers op 5.000 meter hoogte in de buurt van de grens met Chili. We waren al om vier uur vertrokken na een koude nacht in stapelbedden te hebben doorgebracht in een lemen pension in een geisoleerd dorpje waarvan iedereen zich afvroeg: ‘wie haalt het in zijn hoofd om hier te gaan wonen’.  Terwijl het nog vriest zitten we even lekker pootje te baden in water van zo’n 30 graden Celcius. Een vos komt rondsnuffelen in de hoop dat er nog wat te halen valt. Dezelfde dag komen we aan bij een groen meer, Laguna Verde, met een mooie vulkaan op de achtergrond. Het hoge kopergehalte bepaalt de kleur van het water. Enkele uren later arriveren we bij Laguna Colarada, een rood meer boven 4.000 meter. Flamingo’s scharrelen hier in grote groepen rond op zoek naar voedsel. Nooit geweten dat deze vogels 30 graden onder nul kunnen overleven, want zo koud wordt het hier zo nu en dan. Het strand van het meer is wit door het hoge zoutgehalte. Lama´s doen zich te goed aan het taaie uitgedroogde gras dat de enige bron van voedsel vormt. De nacht wordt inderdaad koud zoals ons is voorspeld. We stoppen op tijd met het kaartpel en duiken onder de lamawol om de volgende morgen weer vroeg op te staan om verder te trekken naar de grootste zoutvlakte ter wereld: Salar de Uyuni. Honderden kilometers reizen we door een onbewoond landschap. Prachtige gekleurde bergen, dan weer bijzondere rotsen die de naam hebben meegekregen van Salvador Dali, om vervolgens even stil te staan om een rokende vulkaan te bewonderen. Vicuñas, een tenger type wilde lama met een dunnere vacht, rennen weg als ze ons zien naderen. Ook deze dieren leven van het droge gras en krijgen water uit de sneeuwlaag die op de bergtoppen ligt. In een bevroren meer staan duizenden flamingo’s tegen elkaar geplakt in een wak. Vanuit de verte ziet dit eruit als een felgekleurde roze vlek. Dan wordt de lucht roze gekleurd als ze plotseling massal opvliegen om verderop weer neer te strijken.  We rijden nog zo’n 100 kilometer langs afgelegen dorpjes om uit te komen bij ons volgende onderkomen: een zouthotel! Opgetrokken uit dikke blokken puur zout! Ook de tafels, stoelen en de bedden zijn van zout. Ze zijn nog bezig met de afwerking, we zijn pas de derde groep die hier gaat overnachten. Inmiddels staan de meesten van ons aan de muur te likken om te testen of het echt zout is. Niet te lang, anders smelt het gebouw! Er wordt een fles rum aangerukt uit het dorpswinkeltje  en we zitten even later gezellig bij kaarslicht. Op dag vier komen we na honderdvijfitg kilometer over zout te hebben gereden, uit bij een ‘eiland’, Isla de Pescado. Het eiland heeft de vorm van een vis. De bijzonderheid van dit eiland is dat er cactussen groeien die soms meer dan duizend jaar oud zijn. Een heeft zelfs een lengte van 12 meter, en zou 1200 jaar zijn er vanuit gaande dat ze 1 centimeter per jaar groeien. Via het treinenkerkhof, waar oude reusachtige stoomlocomotieven in de woestijn staan weg te teren, komen we weer terug in Uyuni.

Dan Potosi, met ruim 4.000 meter boven zeeniveau de hoogstgelegen stad ter wereld! Ooit was dit de grootste en rijkste stad in Zuid Amerika vanwege de grote hoeveelheden edelmetalen (zoals zilver en tin) die hier gevonden werden. Met de Nederlanders Ceasar en Vanessa die we ontmoet hebben in Uyuni bezoeken we onder leiding van een gids (vroegere mijnwerker) een zilvermijn op enkele honderden meters boven de stad. Het is gebruik om enkele presentjes mee te nemen voor de enkele mijnwerkers die we gaan ontmoeten. Bij een winkeltje kopen we een paar Euro cocabladeren en een pakket dynamiet met ontstekingslont.  Onze gids demonstreert ons, als we voor de ingang van de mijn staan, hoe je van dynamiet en wat chemische korrels een flinke bom maakt. Even onthouden voor Oud en Nieuw. Een enorme klap en een grote wolk puin en stof onstaan na de explosie. De echo is nog lang te horen en onze oren tuten nog even na. Okee, tijd om de mijn in te gaan. We lopen de mijn binnen waarvan de ingang besmeurd is met lamabloed. Periodiek wordt er volgens traditie een lama geofferd.

Geen last van claustrofobie? Ja, een Engels meisje houdt het niet meer vol en wil zo snel mogelijk weer naar buiten. In overall en laarzen, helm en hoofdlamp zakken wij verder af en klimmen we via touwen tegen steile hellingen. Soms moet je je door nauwe spleten wurmen om verder te komen. Dan ontmoeten we de eerste mijnwerker. Hij is al vijftig, wat al erg oud is voor deze mensen. Als een mijnwerker zijn pensioengerechtigde leeftijd bereikt, haalt hij daarmee de krant. Onder extreme omstandigheden is hij bezig een gat te beitelen in de rotswand om er later dynamiet in te stoppen. Terwijl hij staat te hameren kauwt hij cocabladeren die de omstandigheden moeten verzachten en een betere weerstand moeten bieden tegen het lage zuurstofgehalte in de mijn. De omstandigheden zijn werkelijk abominabel en we krijgen al snel medelijden met deze mensen. Daarna komen we ‘Tio Jorge’ tegen. Ome Jorge is niets anders dan een beeld van leem die de duivel moet vertegenwoordigen. Hier diep onder de grond heeft de duivel het voor het zeggen, zo zijn de mijnwerkers overtuigd. Ze stemmen hem gunstig door het beeld sigaretten te geven (daardoor heeft oom Jorge een zwarte neus), pure alcohol te voeren en cocabladeren over het beeld te gooien. Pure alcohol (96%) drinken de mijnwerkers zelf ook zo nu en dan, dit zou een beter zilvergehalte opbrengen. Alcohol gemixed met cola of water geeft een inferieure kwaliteit erts, zo zegt men. Er mag niet gegeten worden in de mijn, ook mogen de vrouwen van de mijnwerkers niet binnenkomen, dit zou ongelukken zoals instortingen veroorzaken.

We verlaten de mooie maar arme stad Potosi en maken een trip op een neer naar Sucre. Sucre is een beeldschone witte stad, vol met koloniale gebouwen. Er straalt een stuk weelde van uit, maar dat is allesbehalve waar wanneer je ziet hoeveel bedelaars hier langs de weg zitten. Bejaarden moeten hun geld hier verdienen met het verkopen van onder andere snoep. Tot ´s avonds laat zitten ze in de kou in dekens gewikkeld hun waren aan te bieden, schrijnend.

Op zoek naar het centrum van Oruro spreken we een voorbijganger aan of hij enig idee heeft welke straat we het best kunnen nemen.  Hij geeft aan hier ook onbekend te zijn omdat hij uit Argentinie komt. Op hetzelfde moment komt er een agent aangewandeld die zich legitimeert en ons vraagt naar ons paspoort. ‘Er zijn veel reizigers die niet over de goede documenten beschikken, zodoende dat er een verscherpte controle plaatsvindt’, zo zegt hij. De Argentijn laat zijn papieren zien, en dan zijn wij aan de beurt. ‘Ze liggen in het hotel’, antwoorden we. Hij houdt een taxi aan en we gaan op weg naar het hotel. Iets zegt ons niet in te stappen, Maar als de Argentijn plaatsneemt, laten we ons overhalen. De taxi rijdt weg en we geven aan dat het hotel de andere kant op is. ‘Nee, we gaan naar het politiebureau’, zegt de agent. En plotseling verandert hij het verhaal: De dollars moeten gecontroleerd worden op valsheid. De meewerkende Argentijn laat zijn hele hebben en houwen weer zien in de taxi, inclusief dollars. Nu zijn wij aan de beurt! ‘Nee, we hebben niks bij ons, ligt ook in het hotel’. We vertrouwen de zaak niet meer en weigeren onze spullen te laten zien. De agent wordt steeds zenuwachtiger en wijst op Ronnie’s broekzakken om ze leeg te halen. Ok, de snotterdoek (zo een die te lang  niet gewassen is) kan hij krijgen en Ronnie drukt deze onder zijn neus. Dat vindt oom agent niet fris. Uiteindelijk laat Ronnie de inhoud van zijn portemonnee zien om aan te tonen dat we werkelijk niet over Dollars beschikken, alleen een klein berag aan Bolivianos. De agent laat de wagen stoppen en sommeert ons uit te stappen. We  stappen uit en checken of we alles nog hebben, dit blijkt positief.  Maar we voelen ons toch flink opgelicht. De hoteleigenaar schrikt erg van het verhaal: ‘ze werken in groepen. De Argentijn, de politie en de chauffeur waren allen gefingeerd’. ‘Moeten we aangifte doen?’ ‘Nee,  heeft weinig zin, de ‘echte’ politie weet ervan en werkt soms samen met deze oplichters’, zo probeert hij ons duidelijk te maken. Het feit dat we de ‘Argentijn’ aanspraken (normaal gebeurt het andersom) zette ons behoorlijk op het verkeerde been, we liepen recht de val in. Dezelfde middag zien we met lede ogen aan hoe de ‘echte politie’ met vier man sterk een sinaasappelsapkarretje van een indiaanse vrouw in beslag neemt. Ze spartelt tegen en haar bolhoed rolt over straat.

Terwijl Gertrude zich bezig houdt in La Paz, begin ik vanuit deze hoogstgelegen hoofdstad ter wereld aan de klim naar  La Cumbre. 27 kilometer bikkelen in ijle lucht leiden naar deze 4750 meter hoge bergpas. Een groot Jezusbeeld houdt zijn armen gespreid om het dal te behoeden. Nog zo’n 90 kilometer te gaan terwijl ik nog even geniet van de reusachtige besneeuwde toppen die zeker nog een kilometer hoger liggen. De rit die voor me ligt vormt een van de spectaculairste afdalingen ter wereld. mountainbikers uit de hele wereld komen hier naar toe om deze ‘downhill’ rit te ervaren. Vanaf de pas is het namelijk 70 kilometer bergafwaarts naar het Yungasgebied dat overgaat in de Amazone. In die afstand daal je ongeveer 3.600 meter verticaal. De eerste 25 kilometer bestaan uit glad asfalt en mooie bochten. Het tweede deel is het spectaculairst en krijgt de weg plotseling het predicaat 'gevaarlijkste weg ter wereld'. Waarom? Dat zie je als je naast je kijkt en 500 loodrecht de diepte in staart. Een adembenemend gezicht, maar het geeft wel een raar  onderbuikgevoel. Gemiddeld gaat er eens in de twee weken een voertuig de diepte in, weer anderen berichten zeggen dat het op een per week ligt. Je weet niet wat je moet geloven, de een wil het nog spannender maken dan de ander.

Voor 40 Dollar kun je de tocht georganiseerd doen in groepsverband en op professionele fietsen, wat de meesten doen. Maar op je eigen ‘bike’ is het toch leuker en hoef je niet te wachten op achterblijvers of je tempo aan te passen aan die van de gids. Zodoende dat er 8 groepen voorbijgezoefd werden door een ‘almost flying Dutchman’. Op deze weg geldt linksverkeer, zodat je in de afdaling de afgrond naast je hebt als je een vrachtwagen of bus moet passeren. Omdat de weg maar een strook breed is, moet afdalend verkeer, bij een tegenligger,wachten op de daarvoor bestemde inhammen. Aan de bandensporen zie je dat vanwege de krapte, auto’s letterlijk op het randje van de afgrond staan. Geen vangrails, alleen vele kruizen en monumenten sieren de rand van deze dodenweg. Soms hangen de rotsen als een plafond boven je en tweemaal moet er een waterval ontweken worden die uitkomt op het midden van de zandweg.

We verlaten La Paz en trekken verder via het legendarische meer van Titicaca richting Peru.
 
 

back